Verslag Annie v.d. Bosch DEEL 4

Maandag 19 juni

“De weg vertelt de reiziger niet wat hem op de pleisterplaats wacht”

We hebben een jarige aan boord, die opgewekt wordt toegezongen. Op naar OSLO dus, langs onze laatste fjord. Meeuwen hebben hier lichte vleugels. Op zee viel het op dat ze veel donkerder waren. Het weer laat verstek gaan, een sombere lucht hangt laag over het fjordengebied. Oslo schijnt dan wel - als uitzondering -een zonnige stad te zijn, maar dat gaat nú niet helemaal op. VIGELANDPARK in een must! Ik prefereer een kopje koffie in het café aan het eind van het park (werd 30 jaar geleden al geconfronteerd met al die beelden en was er toen al gauw op uitgekeken, ik mis helaas alle gevoel voor cultuur!) Ik kijk nu mensen in plaats van beelden. Het weer is opgeknapt en op m’n gemak zie ik heel cultureel Noorwegen langs me heen trekken. Dennis voegt zich bij me en geleidelijk druppelt OAD zich weer richting bus. Weer op weg geeft Ineke les in het Noorse koningsschap, maar HååkonV en Olaf V en Carl? - Harald en Sonja en tenslotte Mette-Marit met haar kroonprins - ze lopen in m’n stuurloze gedachten allemaal doorelkaar heen. We wandelen door Oslo-stad, we bezichtigen het Radhus, slenteren dan wat door de duurste winkelstraat - boekwinkels in en uit, juwelierszaken, we bekijken alle geëtaleerde trollen en strijken neer op een straatterrasje, met koffie en bier. Noorse meisjes trekken in groepen langs, ik had me veel blondere types voorgesteld. Een paar èchte blondjes vallen op. Ook Dennis struint langs; “We zien je ook overal” met een kleine variatie op de OAD-slogan. Bij de haven wordt het even wachten op de COLOR-LINE (sinds veertien dagen in de vaart, weet Ineke) en de bus zoekt z’n weg langs aanvoerwegen en wij, in de bus, zijn vol verwachting van wat komen gaat! Ja, gevonden, uitstappen, eindeloze gangen door - naar links - naar rechts - bochten om - naar rechts, naar links, aan boord! Weer vele wegen die naar ons doel leiden - eetzalen, gangen, hallen, eetzalen, - - -eindelijk! Een knus zaaltje met lange tafels, keurig gedekt, is voor OAD! Door de patrijspoort nu: water, grauwe lucht, vage bergen—- We varen! en gaan ons tegoed doen uit een keur van heerlijkheden; alle bordjes, beladen met veel hoopjes “gerecht” - wàt is niet altijd duidelijk - keren naar hun plaats aan tafel terug, we smikkelen en converseren (waar ik erg slecht in ben). nippen uit een glaasje wijn en zijn echt “op vakantie”. Intussen vaart de boot - geronk van machines - en wij deinen mee met de zee. Stemming opperbest - stewards lopen af en aan met nieuwe voorraad. Jezelf verstaanbaar maken is erg moeilijk - geluidsgolven deinen door de ruimte mee. We varen nog steeds langs de kust, ook nog steeds: grijsheid buiten, feeststemming binnen! De hutdeur gaat niet meteen open (algemeen verschijnsel bij “nieuwelingen”). Een toevallige voorbijganger “weet” zonder te kijken, meteen dat ik de verkeerde deur heb - want Ouwen-met-een-stok kunnen per definitie niets meer! - en probeert “helpend”, lukraak (en tevergeefs) twee andere deuren. Andere gasten komen voorbij: ook zij proberen die deur tevergeefs. Een personeelsmeisje ziet ons geklungel, neemt het kaartje en meteen vliegt de deur open! ‘t Is maar een weet! Die hut is weer het einde! We kijken op een vlakke, bewegingloze zee, en in de cabine geven leuke lampjes een gedempt licht. Helaas geen “woeste baren” - ook nu weer, waar Corrie en ik een béétje op gehoopt hadden! Wel: intens vredig. Buiten nog steeds dat lage wolkendek langs de bergachtige kustlijn. Om een uur of half elf wordt de uiterste punt bereikt, er komen nog een paar eilandjes, en dan: de volle zee. De bedjes, keurig opgemaakt, noden, dus: Welterusten allemaal! en morgen weer: 8 uur “aan boord”, maar nu in de bus.

Dinsdag 20 juni Dennis heeft zich verslapen, komt met ongekamde haren, nog lang niet wakker, de bus instormen en moet noodgedwongen meteen aan de slag! En wij maar hopen dat het goed gaat, Nou, het gaat uitstekend, want Dennis is Dennis! Wat is Denemarken toch plat. Een verschil van dag en nacht met het land dat we zojuist verlieten. Ook rustiger: 5 miljoen Denen in een toch wat groter land dan Nederland met z’n 8 miljoen (lijkt me een vergissing, Annie. Corrie), zegt wel iets. En in Denemarken kan men er op bogen het oudste Koninkrijk van Europa te zijn! Hans Chr. Andersen is hier de sprookjesverteller. In Duitsland zullen we Grimm - de gebroeders Grimm - krijgen, en we missen nu de verhalen van die het Noorse volk tot leven brengen. Langs de saaiste der saaiste snelwegen gaat het van Frederikshaven, pal noord naar de Duitse grens, pal zuid; maar wel met een lange stop in Ã…rhus, in Den Gamle By (fonetisch “de gammele beu”), een openlucht park waar alles “van vroeger” levend wordt gehouden. En hoe! De oneffen kinderhoofdjes en hobbeltjes maken het lopen-met-stok erg moeilijk, maar op een bankje langs het water is het ook heerlijk toeven. Tijd genoeg, tot half twee!

Arhus

Den Gamle By dus! En op mijn bankje komen “meerdere - eeuwen geleden” weer tot leven en dat ga ik nú beleven! Het wordt een beeldverhaal-in-schrijven uit de voorbije tijd. Een gracht met groen water - dorre blaadjes drijven passief mee, en een eend zwemt doelloos heen en weer. Een wit huisje met rood pannendak; de deur leidt naar een aflopende tuin, gras en bloeiende vlier langs het water. Verderop een roodstenen gebouw met een hoog balkon. Op een stil plekje aan het water staat een forse boom, z’n brede bladerkroon beschaduwd een muur van opgestapelde ruwe stenen en een grasveld vol madeliefjes. Langs de beschoeiing van donkere paaltjes tieren welig de waterplanten. Een vakbouwhuis, met gele muren; de kleine raampjes weerspiegelen in het water - het hele gebouw heeft hier z’n heen en weer deinende spiegelbeeld. Wat verderop een houten bruggetje en daarachter is het grachtwater omzoomd met hoge bomen, daar houdt het dorp op. Naar het centrum toe een levendige aanblik. Ik hoor de trappelende paardenhoeven, die een koets voorttrekken. De koetsier, met z’n zwarte pet, trots op de bok, hanteert de zweep. Daar staat een boerderij met een rieten dak, witgekalkt, half verscholen achter hoge bossages. Een poel vol rabarberblad (is het rabarber?), een enorme massa groen waaiert alle kanten op. Breeduit op een bankje zit een dorpeling uit te rusten van z’n dagtaak - een zwart petje op z’n rode kop en bretels houden zijn broek op. Een dienstmeisje stiefelt langs. Een wit gesteven schort keurig over haar lange zwarte japon en een rieten mand met boodschappen bungelt aan haar arm. Het is warm! De winkels in de dorpsstraat staan er wat verloren bij. Daar is de zaak van de edelsmid, op de hoek, aan de gevel hangt een boog met twee vergulde ringen. Ik kijk door een raam met rode geraniums. De breikous ligt op tafel, het brilletje ernaast. Geen tijd nu om te breien, de piepers moeten gejast! - en op een hoge brugleuning zitten moderne kindertjes hun ijsje op te eten. Verder weer. In de speeltuin zwaaien de schuitjes-schommels op en neer, de hemel tegemoet, maar de draaimolen met z’n stoeltjes met ijzeren leuning staat er wat zielig naast te niksen. De kermiskraam speelt een vrolijk deuntje muziek - en nu ik tóch in de buurt ben - ik neem wat verse krakelingen mee voor de theevisite vanmiddag. Achter de toonbank huist breeduit de bakker, helemaal in ‘t wit en een rode kop met blozende wangen. In de apotheek ernaast is het donker. Een grote koperen weegschaal hangt plechtstatig aan een lang touw omlaag. De boek-, muziek- en kunstwinkel (alles in één) geeft een vrolijker beeld, de etalage vol met boeken uit grootmoeders tijd, de “kunst” bestaat uit felgekleurde aanplakbiljetten en mechanische muziek zendt simpele deuntjes over het stille plein. In de speelgoedzaak is ‘t een levendige boel. Daar zitten poppen met-mooie-hoedjes op, gele pruiken, met draaibare armen en benen, met gestreepte schorten over hun “goeie goed” - daar liggen de aankleedpoppen-platen. [ik weet nog hoe ik als kind de hele bovengang van ons huis vol “aankleedpoppen” had liggen, en allemaal moesten ze steeds andere kleren aan] O, en daar staat ook een plank met knikkers van klei in doffe kleuren; voor Ot zal ik een zakje meenemen, die heeft pas al z’n knikkers verspeeld. Zal hij blij mee zijn! en voor dochter Sientje dan maar een aankleedpop, dan heeft ze weer wat uit te knippen - - en nu gauw naar huis, de dames van het theekransje komen al vroeg. Maar een kopje thee met een taartje kan er nog nèt af; onder de schaduwrijke bloeiende meiboom is het heerlijk zitten. Dichtbij zijn twee kindertjes hun ranja met een rietje aan het drinken - een zakje ulevellen ligt op tafel. Maar nu moet ik toch ècht afrekenen, die dames wachten ——ergens hoor ik “OAD”—-OAD?OAD?—-en met een schok begint het te dagen—-Ot en Sien vervagen(in mijn jeugd de geijkte lectuur voor de lagere school - toen al “verleden tijd”)—-en ik ben weer op reis—-net terug uit Noorwegen en nu in het kijkmuseum Ã…rhus, dat dorpje in Denemarken met z’n leven-in-voorbije-tijden—- toch wel héél erg reëel uitgebeeld, dat dorpje!

Rijden-rijden-rijden weer. Door laagland als in Nederland(zijn we daar soms al?) - grasland - bouwland - boomgroepjes - weiland, soms met koeien, die schijnen hier ‘t hele jaar door op stal te staan, heel comfortabel voor de boer, maar: arme beesten! De zon staat schuin achter. ‘t Is warm in de bus en de motor zoemt slaapverwekkend——- NOORD-DUITSLAND nu - en nog met een beurs vol noors geld, dat in het grensgebied om 4 uur - wij waren er om vijf òver vier! - niet gewisseld kon worden. Ons hotel staat in de omgeving van Osnabrück. Een werkelijk luisterrijke ontvangst wacht ons hier: kamers 101 - en meer - voor ons. Op de eerste verdieping dus. Die ene makkelijke trap lopen we wel even. Anderen gaan met de lift en mikken beter! Eerste verdieping: geen kamer te bekennen. Een hotelman dirigeert ons een deur door; 4 of zelfs 6 betonnen trappen op - geen kamer-afdeling - fout dus en terug. Lift is net weg en komt niet terug. “Ja heus, die trappen op” en wéér sjouwen we het kale betonnen trappenhuis op. Néé dus - en om een lang verhaal kort te maken: hóe weet ik niet, maar kamer 101 en volgende werd gevonden. Maar de irritatie neemt toe en toen ook de brallende TV niet uitwilde werd die toestand er niet beter op! Bijna het moment om met dingen te gaan gooien! Moeheid, natuurlijk, teveel indrukken, doodop. Tenslotte gaat die TV toch uit en ik sta nu voor een raam met prachtige boomgroepen, die een oorverdovend gekras van kraaien ten beste geven - dwz, dat geschetter deden die kraaien zèlf - wat moet dat vannacht worden!! ‘t Nog steeds moeilijke diner is ten einde, ‘t bedje lokt en ook de kraaien hielden tenslotte hun kraaiebekken dicht.

Woensdag 21 juni

430 km naar Beek. Weer zoeven over eindeloze snelwegen en dan komt Beek. Einde van de pret. Ineke en Dennis staan strategisch opgesteld en krijgen een welverdiend afscheid met envelop + inhoud. Fijne reis gehad - fijne leidster - fijne chauffeur - last but not least: superfijne reisgenoot Corrie (ai, ik bloos er van.Corrie) - en dat was dat! In de ontvangsthall verorberen we nog soep+broodjes als afscheid, en dan zoekt iedereen zijn eigen servicelijn! En om half 8 sta ik - na nog een half uur met koffer en tas en stok naar het station lopen en daar trappen af en weer op, en een snelle taxi naar Heino dan eindelijk weer voor m’n eigen huis - en morgen zien we wel weer verder—- ‘s Avonds in de tuin, hangt de stilte als een weldaad om me heen. En na thuiskomst belt Anne uit Frankrijk. Ankie en Riky komen kijken; Geertje, Jan, Inge en Hanneke bellen op, ook Elly ik ben niét vergeten!


Donderdag 22 : 1e reaktie: nooit meer; te oud, vooral mentaal vrijdag 23 : 2e reaktie: nou nooit?? misschien toch wel zaterdag 24 : 3e reaktie: ‘t was toch wel erg leuk, wie weet? zondag 25 : 4e reaktie: Ik ga sparen voor nog eens! Corrie : mag ik weer mee?

This entry was posted on Tuesday, July 11th, 2006 at 3:51 and is filed under Alles en Niks. You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can leave a response, or trackback from your own site.

Leave a Reply