Archive for January, 2008

AVONTUREN IN ZUID - AFRIKA

Bruiloft van Cristel en Andries  Ja, dat was veel voorbereidingswerk voor Cristel en Andries. Vanuit Nieuw Zeeland een bruiloft regelen aan de rand van het Krugerpark en alle gasten onderbrengen en ga zo maar door…Maar ook wij in Nederland troffen onze voorbereidingen: er moesten vakanties geregeld, wat niet altijd gemakkelijk was… en natuurlijk moest er ook een lied komen. We hadden een brainstorming bij Pieter thuis en daar kwam wel wat uit. Ik vertrok het eerst naar Zuid-Afrika en werd opgehaald door het a.s. bruidspaar. Heerlijk weerzien met Cristel en kennismaken met Andries ‘in het echt’. In Pretoria, waar Andries’ moeder en zus wonen en wij logeerden, was alles alles donker en heel erg op slot. Andries’ moeder, Rika, was al naar bed. Ons gefluister echter mocht niet baten: Rika was te nieuwsgierig naar mij en klom uit bed. Lastig kennis maken in het nauwe gangetje tussen de kamers en al gauw trokken wij ons allen terug.De volgende dag bij daglicht zag alles er heel anders uit: tja, dat de badkamer tegenover mijn kamer was kon ik wel onthouden, maar was de keuken nu links- of rechtsaf? Tot de laatste dag ruim een maand later deed ik het nog verkeerd. Een grote tuin om het huis; je kon niet overal komen, want twee Chouchou honden huisden in een deel van de tuin en één ervan was onbetrouwbaar. Maar in het andere gedeelte was een zwembad en niet zo’n kleintje ook. Daarnaast een soort van prieel, waar ik zoveel mogelijk tijd doorbracht. Tja, het was zomer toch? en thuis was het koud. De doggyparlour draaide op volle toeren: hondjes in kooien en hondjes in het bad, onder de droger en onder het mes, nou ja schaar, en werden ze keurig opgedoft en sommigen met een strikje in het haar. In de upholstery was een man hard aan het werk om een oude bank met leer te bekleden. Zus Nietta was er ook; ze had geslapen in het huis van haar vriend Tian, die in het buitenland zat. Nietta en Rika probeerden Afrikaans met mij te koeterwalen, maar deze drukke mensen spraken veel te snel, dus over op Engels. Wat hebben we verder gedaan? Ik weet het niet meer. Oja, we gingen naar de flea market waar ik leuke aankopen deed. Ik geloof dat we op donderdag vertrokken naar Ngwenya, waar de bruiloft zou zijn. Het was wel effe zoeken, maar uiteindelijk bij de lodge aangekomen. Het was niet echt duidelijk hoe het zat met de huisjes, maar uiteindelijk namen wij (Rika en ik en Cristel en Andries) de benedenverdieping van een huis in beslag. Twee andere gasten waren er ook al en die sliepen boven. Geweldig huisje: keuken erbij en een groot balkon met uitzicht over de rivier en op het Krugerpark. De volgende dag arriveerde de Hollandse club. Zeg vooral niet Dutch heb ik nu begrepen, want dat is een soort scheldwoord in Zuid Afrika, dankuwelassublief. Met elkaar hadden ze een eigen huis. Reuze gezellig. ‘s Avonds was er een braai, klaargemaakt door vrienden van Andries. Ja, en toen kwam DE ZATERDAG. Om drie uur zou de huwelijksinzegening plaats vinden. De ochtend was warrig. Kwamen de Hollandse vrienden ontbijten? Er werd veel gekletst en het reisverhaal met de eindeloze vertraging op Schiphol uit de doeken gedaan. Tja, moet je maar niet met Michiel reizen; op de terugweg hadden Michiel en Danielle op de nationale vlucht zoveel vertraging dat ze nog maar net op tijd waren in Joburg. Cristel was als de dood dat de vrouw van Andries’ vriend haar wilde opmaken en charterde onmiddellijk Erica, die overigens ook nauwelijks ervaring heeft met ‘gezichten verven’. In Pretoria had Cristel zich in een toko op laten maken als proef en daarna de ‘verf’ gekocht. Nou ja, toen ik helemaal nerveus was toen er om 2 uur nog niets gebeurde ben ik mezelf maar gaan aankleden en ‘verven’. Cristel en Erica namen uiteindelijk wijk naar mijn kamer en samen begonnen ze giechelend aan de opmaak. Iemand zou mijn camera opstellen in de ‘trouwkamer’, een uitbouwtje van de lodge met een ‘dak erboven’. Dat is een vereiste in Z-A. Toen ik daar aankwam, bleek de opstelling niet te kloppen. Nou ja, we zien wel. Eindelijk kwam de bruidegom in Z-Afrikaans (van één of andere stam) costuum en stelde zich op bij de dominee. Het wachten was op de bruid: en ja, hoor, daar kwam ze aan: mijn dochter ook in costuum en het stond haar goed. De geestelijke sprak zuid afrikaans, maar het was vrij goed te volgen. Hij hield een aardig preekje en verbond toen het bruidspaar in de echt. Gelukkig pasten de ringen. De bruid zag er meer verbaasd dan gelukkig uit, maar ik weet wel beter. De aangelegenheid werd  door het bruidspaar echt serieus genomen. Het filmen was geen makkie. De veranda was smal en er was nauwelijks plaats om te filmen. Bovendien ging de geestelijke steeds in het beeld staan. Maar de grote verrassing: de veranda keek over de rivier uit op het Krugerpark en daar stond een groep olifanten met kleintjes.  Wat een aardige getuigen!

 Our Wedding, 8-12-07, 40D, 1 109  

 Gelukkig werd dat pas ontdekt na de plechtigheid, anders was die verstoord.  Our Wedding 054

 Nu volgden de felicitaties en omhelzingen en mijn ‘kleine’ was getrouwd! Ze heet nu mevrouw Gous en ik kan het nog steeds niet op z’n Suid-Afrikaans uitspreken. 

Our Wedding, 8-12-07, 40D, 1 087

Harry, de ‘best man’ van Andries hield een geweldige toespraak. Hij was geestig en hield zijn toespraak in het engels, wat voor ons wel zo gemakkelijk was. Tja, en toen moest Erica er aan geloven: getuige van Cristel. Zij kondigde het lied aan van de ‘Hollanders’ maar dat was nog niet klaar en Ronald vulde de tijd met o.a. het zingen van ‘Tulpen uit Amsterdam’. Maar tenslotte was het lied min of meer uitgeschreven. Waar is dat lied eigenlijk gebleven? Ik wil het wel hebben. Het feest kabbelde voort. Eigenlijk hadden we moeten smullen van warthog en lam van de braai, maar helaas, de braai viel om in de regen en wat we uiteindelijk te eten kregen was best lekker, maar geen warthog. Maar goed, lieve mensen: dit is het verslagje van de bruiloft en volgende keer ga ik verder met het verslag Krugerpark etc.Oma

Our Wedding

Nederlandse paarden naar Indonesië

geschreven door Jan Renes in 1976 (?)

Mijn broer Jan is overleden in september 2007. Bij het opruimen van zijn huis kwam ik, zijn zuster, dit verhaal tegen wat ik u niet wil onthouden: 

 Ik was één van de uitverkorenen om mee te gaan als verzorger met een transport paarden naar Indonesië.

Het begon als volgt:

 Een gepensionnerde Indonesische gneraal kocht in Nederland zestien paarden, waaronder: één Lipizaner hengst, twee Lipizaner merries, twee Friese hengsten Tjeerd en Souke, vier Friese merries, drie halfbloed springpaarden, allen gecastreerd en dus als ruin door het leven springend, verder vier drachtige volbloed merries. Alle paarden waren in Abcoude gestationeerd. Dit duurde echter meer dan een jaar omdat het vervoer nogal stagneerde.In deze periode hadden alle drachtige merries inmiddels een veulentje ter wereld gebracht. De overige paarden moesten in deze tijd in conditie blijven en werden regelmatig bijgereden en getrained. Dit alle heeft aan pension en onderhoud nogal een lieve duit gekost. Maar uiteindelijk was het zover.

 De paarden zouden vertrekken op 3 februari 1976. De avond tevoren werden de paarden getoiletteerd om in Jakarta goed tevoorschijn te komen. Er ontstond nog een kleine discussie of de paarden wel of niet gebandageerd (de benen gezwachteld) zouden worden. We besloten van niet omdat de ruimte in de containers te klein was om bij de benen te komen bij het eventueel losraken van de bandages. Verder kregen alle paarden een wit linnen dek. Het zag er allemaal uit om door een ringetje te halen. Bij een opmerking van mij of het niet beter was de paarden te scheren, omdat ze een vrij dikke wintervacht hadden, kreeg ik als antwoord dat daar geen tijd meer voor was en dat de paarden naar de koele bergen gingen. Achteraf had ik wel gelijk, maar dat is vooruit lopen op mijn verhaal.

 Om half zes ’s morgens was iedereen er en twee grote veewagens reden het erf van de manege op. Het laden ging snel, totdat de Lipizaner hengst aan de beurt was. Allemachtig, wat ging dat beest tekeer. Als we hem halverwege de loopplank hadden kwam ie er op zijn achterste benen weer afdenderen. Uiteindelijk na twintig minuten modderen gaven we hem een kleine kalmering (Valium of zo), een jas over zijn hoofd en een paar keer rondgedraaid, zodat hij z’n richtingsgevoel een beetje kwijt was. Nu liep hij als laatste, wat ongelukkig, de benen voorzichtig optillen, in een soort van piaf de loopplank op. Toen we hem klem hadden in de veewagen en de tussenboom geplaatst hadden, trokken we hem de jas van het hoofd. Op het moment dat hij weer zag hinnikte, nee, gilde hij het uit. Het sneed door merg en been. Het leek wel of het dier wist wat hem ging gebeuren. We besloten dat tijdens de reis naar Schiphol iemand bij hem zou blijven. Gelukkig was er een stoere vrijwilliger die aanbood gewapen met een stok bij hem te blijven. Ik allang blij, want ik zag mijn reis al verkort tot Schiphol, waar ze me als een soort pap uit de veewagen konden schrapen. De achterkleppen werden gesloten en er klonk af en toe een gerommel van een hengst en een sussend, beetje anstig ho! ho! van de verzorger Hein. Gelukkig waren de andere paarden als makke lammeren geladen en de hele klus had niet meer dan twee uur geduurd.

En daar gingen we dan, een hele karavaan: supporters, stalpersoneel, vorige eigenaars, handelaars, veearts en voerwagen. Zonder ongelukken kwamen we op Schiphol aan. Aldaar werd de begeleider van de woeste hengst bevrijd. Hij zeei dat ie peentjes had gezweet met die knol, maar hem uiteindelijk toch een stuk rustiger had gekregen. We werden op de Martin Air Terminal onthaald op een uitgebreid ontbijt, waar we wel aan toe waren. Er volgde een briefing van twee beroeps cattle stewards en er werd besloten de hengsten voor in het toestel te laden, daarna een opening, dan de veulens, dan de merries. De paarden gingen in aluminium containers waar ze per drie in konden. De hengsten per twee met een leeg tussenhok. Vóór in de container was een gangetje gemaakt waar je kon staan met landen en stijgen. Dit is voorschrift: per container één man om de paarden rustig te houden. In dit gangetje hingen we ook de kooinetten en drinkbakken.

 Na de briefing en het copieuse ontbijt gingen we aan de slag. De paarden moesten overgeladen in de containers en werden intraveneus gespoten met tranquilizers. De veearts had waarschijnlijk zo’n klus nog niet eerder meegemaakt want de hengst Tjeerd en één van de veulens gingen plat. Waarschijnlijk een te grote dosis. Gelukkig waren ze na 20 minuten weer bij. Alle containers werden op lorries gezet en zo rolden we naar de grote DC 10 die op ons stond te wachten. Met een highlader werden één voor één de containers naar boven in de machine gelift. De paarden waren behoorlijk suf. Ik moet er niet aan denken als dat goedje niet bestond waar ze mee ingeshot waren. De containers werden door een bepaald mechanisme vastgesjord en we konden vertrekken.

 Alle supporters mochten nog even kijken hoe het spul erbij stond en daarna gingen de gangways dicht. We bleven met z’n vijven over plus een Indonesiër, plus twee cattle-stewards. We kregen de instructie om elk afzonderlijk in een container te gaan staan bij het stijgen, om de paarden rustig te houden. Als één van paarden de kolder in de kop kreeg dan lagen in het midden van de plane twee revolvers om hem desgewenst naar de paardehemel te helpen, omdat het beest zijn eigen kracht niet kent en een vliegtuig is niet al te dik. Gelukkig hebben we hier geen gebruik van hoeven maken. Ik stond bij drie merries waarvan één nogal sjagrijnig was. De machine begon te loeien en we taxieden naar de startbaan. We kregen uitgeleide van een busje waar alle supporters in zaten. Ik kon dat door het raampje net zien. De machine stopte en we hoorden door de speakers: “Ready for take off!!”. Ik had het niet meer, het liep me bijna dun door de broek toen we over die startbaan scheurden en naar boven moesten. De paarden helden zwaar naar achteren over en hun ogen kwamen toch zeker twee centimeter verder hun hoofd uitpuilen. Het klamme zweet stond in m’n handen, want je moet ondanks dat je op de paarden moet letten jezelf ook maar overeind houden. Hein, die bij de Lipizaner hengst en de Friese hengst Tjeerd stond, had zichzelf zo opgefokt, dat hij flauw viel, terwijl de twee hengsten op dat moment het rustigst van het hele stel waren. Toen de machine stabiel in de lucht hing mochten we de containers uit. Iedereen stond een beetje beteuterd en pips te kijken, maar toen de captain de cockpit uitkwam en ons een borrel aanbood, kwamen we weer bij. “Even wennen, boys’” sprak hij, “over zeven uur landen we in Dubai om te tanken.”

Achter in de machine waren keurig 8 ligstoelen gebouwd met een tafel. We hadden verder niets te doen en om beurten controleerden we de paarden. De cattle stewards hadden het hele arsenaal van de Martin Air caterings maaltijden meegenomen, dus we hadden keus genoeg.

 Omdat het nogal een ongedwongen sfeertje was in het vliegtuig, besloot ik maar eens een kijkje te gaan nemen in de cockpit. Ik was er van harte welkom en nam plaats op het zijbankje en liet me alles uitleggen door de tweede piloot. Over een uur zouden we landen in Dubai en we besloten de paarden weer te spuiten, behalve de veulens. We gaven ze echter een halve dosis, want de dosis op Schiphol was teveel geweest. We wilden niet het risico lopen dat één van de paarden in de container onderuit ging. We namen weer plaats in de containers en de landing werd ingezet. Ik zette me schrap, maar dat was niet nodig, want ik werd klem gezet door de paardehoofden, die deze keer natuurlijk voorover helden. Overal in het vliegtuig klonk toch wel een angstig gehinnik. De geluiden zijn onwerkelijk, want het suist verschrikkelijk in je hoofd. Omdat het vliegtuig zwaar beladen is, doe je veel langer en gelijkmatiger over de landing. Ik dacht dat er geen eind aan kwam.

 Vliegveld Dubai is een strak modern vliegveld midden in de woestijn. En we bleven in het vliegtuig, om al te nieuwsgierige officials bij de paarden weg te houden. De Arabieren hebben nl. de gewoonte om elk dier te beknijpen en te bevoelen. Na anderhalf uur stegen we weer op voor de laatste ruk van acht uur naar Jakarta. Tijdens het opstijgen ging één van de veulentjes onder zijl. Gelukkig had ze ruimte genoeg en hebben we haar met een zuurstofmasker weer op de been geholpen. Hein natuurlijk, kwam op dit lumineuse idee, want we wisten eigenlijk niet goed wat er aan de hand was. Tijdens de nacht was alles rustig en de paarden begonnen zelfs aan het hooi te knabbelen. ’s Morgens vlogen we vrij laag over Sumatra en het uitzicht was fantastisch. Er werd meegedeeld dat we op Kebajoran zouden landen. Dat is het oude vliegveld van Jakarta. Ik was wat nerveus, want het was zeventien jaar geleden dat ik met mijn ouders uit Indonesië vertrokken was en was toch wel benieuwd naar het weerzien met Jakarta. De landing ging gesmeerd en de hele procedure ging ons gemakkelijker af dan de eerste keer. De luiken gingen open en het uitzicht op het oude Kebajoran was verbluffend. We stonden achteraf naast een kampong met veel wuivende klapperbomen. Voor het vliegtuig stonden tien legervrachtwagens, die met bamboe wat verhoogd en verbouwd waren tot veewagens. We schoten in de lach bij de gedachte dat de paarden daarin vervoerd moesten worden naar de bergen. De trap ging uit en we werden overrompeld door zo’n dertig militairen die nieuwsgierig het vliegtuig inwandelden. Ze waren zeer verbaasd omdat velen van hen waarschijnlijk nooit zulke kolossen van paarden hadden gezien. Het sprinpaard Jumping Holten had ook een stokmaat van één meter negenenzeventig en dan te bedenken dat ze daar aalleen wat magere schonkerige paardjes hadden, die niet boven de één meter twintig kwamen. Nadat ze van de verbazing een beetje bijgekomen waren, realiseerden ze zich dat ze deze klus toch wel te licht hadden opgevat. Eén van de officieren, die waarschijnlijk de belangrijkste was, vroeg ons of we tranquilisers hadden. Wij gaven hem de rest van de spuiten en dachten dat zij het van nu af aan wel zelf zouden regelen. In de veronderstelling dat er direct gelost zou worden, begon de officier alle paarden te spuiten. Ik denk uit angst of zo. Het bleek echter dat er op het vliegveld Kebajoran geen highloader was om de containers in z’n geheel uit het vliegtuig te liften. We vroegen ons af wat ze hier op zouden vinden.

 Het was inmiddels zo’n twaalf uur in de middag en natuurlijk bloedheet op het platform. Daarbij kwam ook nog dat de airconditioning in het vliegtuig niet werkte wanneer het op de grond stond. Je kunt wel nagaan wat voor heerlijk temeperatuurtje er heerste in een aluminium vliegtuig met twintig paarden, die er in hun wintervacht amechtig stonden te dampen in de volle zon op het platform. Dit was je reinste dierenmishandeling. Het was er niet om uit te houden in het vliegtuig. We besloten om maar onder de vleugel te gaan zitten tot die lui een oplossing gevonden hadden. De piloten vertrokken naar de stad om te gaan pitten, en wensten ons succes met een smalende glimlach.

De eigenaar van de paarden was ook gearriveerd en opperde het idee dat we wel konden lossen met een vorkheftruck waar een plankier op gemaakt werd, of een soort loopplank, waarvan de paarden dan maar zo op de vrachtwagens moesten springen. Dit betekende dan dat we paarden  in het vliegtuig uit de container moesten halen. Dit was natuurlijk een absurd idee, en we deden er niet aan mee. Als een paard los in het vliegtuig een keer achteruit slaat, zit ie zo met zijn hoef dwars door de vliegtuigwand. Er gebeurde verder niets en we hoopten alleen dat de paarden het overleefden.

We werden onder de vleugel wel verwend met allerlei hapjes, zoals lumpers, saté, gado gado, en koele klappermelk, maar er gebeurde eigenlijk weinig. Inmiddels was er weer contact opgenomen met de piloten die beslisten dat de paarden alleen per container gelost mochten worden.

 Om negen uur ’s avonds werd besloten naar het andere vliegveld Halim, tien kilometer verder, te vliegen met het hele spul. Volgens mij zou er wel wat gekonkelefoes zijn geweest tussen de eigenaar en de autoriteiten, want er was geen enkel papier over quarantaine of invoerrechten. Dit bleek achteraf ook wel onderhands geregeld te zijn, want Martin Air vloog de paarden kosteloos, omdat ze elk jaar zo’n twintigduizend hadjies (Mekka pelgrims) te charteren hadden voor de Garuda. De eigenaar van de paarden was buiten zijn generaalspensioen ook nog sales director van de Hadji flights. Daarbij komt nog dat de Lippizaner hengst voor president Soeharto bestemd was als klein presentje.

Affijn, we gingen met het hele circus de lucht weer in. De piloten waren gearriveerd en de machine begon te draaien, zodat de airconditioning weer werkte. De paarden zagen er verschrikkelijk uit, drijfnat van het zweet en ze ademden vreselijk zwaar. We besloten niet te spuiten voor deze korte vlucht. We stegen op, cirkelden boven  Jakarta en daalden weer. Het leek of het uren duurde, want we bleven in de containers. Toen het vliegtuig de grond raakte, beet één van de merries mij in de arm, waarschijnlijk als afscheidsgeschenkje. Het deed verrekt veel pijn en ik heb er nog een week last van gehad. Ik heb het beest niets kwalijk genomen, want ik zou hetzelfde gedaan hebben als ze zo met me rondzeulden.

Op Halim was een highloader en we konden eindelijk lossen. De containers kwamen makkelijk uit het vliegtuig, maar het overladen op de geïmproviseerde veewagens gaf nogal wat problemen. De hengsten gingen per twee op de vrachtwagens met 6 mannetjes die ze angstig vasthielden voor de reis van plus minus vijf uur naar hun bestemming  Tjilatjap in de bergen. De merries en veulens gaven minder problemen.

 Om drie uur ‘s nachts stond de colonne klaar voor het vertrek. Wij pakten onze spullen en gingen mee met het busje, moe en afgepeigerd. De reis naar Tjilatjap vond ik fantastisch; hoe moe ik ook was, ik kwam ogen tekort. Zelfs ‘s nachts is een rit door Jakarta een ervaring apart. Het lijkt wel of men elkaar afwisselt dag en nacht. In Bogor begon het licht te worden en de theetuinen begonnen hun geur te verspreiden. In Tjilatjap, vlak achter de Puntjak pas, kwamen we bij een leuk hotelletje, waar we in verschillende bungalows werden ondergebracht. Na een verfrissend bad, waar we wel aan toe waren, gingen we slapen. Ik kon niet direct in slaap komen door alle enerverende gebeurtenissen. Na een paar uur was eigenlijk iedereen weer op, omdat we toch wel benieuwd waren of de paarden heelhuids waren aangekomen. Na wat gegeten te hebben, brachten ze ons naar de stoeterij. De stoeterij lag fantastisch in de glooiing van een dal. Zo iets moois had ik nog niet gezien. De paarden stonden in open boxen vredig aan een rietachtig stro te knabbelen. Een hengst was aan het voorbeen behoorlijk gewond. Ze vertelden dat hij onderweg uit de vrachtwagen was gesprongen. Dat er niet meer ongelukken onderweg gebeurd waren viel ons wel mee, want we hadden onderweg toch wel uitgekeken naar wat loslopende paarden of gewonde verzorgers.

De eigenaar Pak Djoko was inmiddels met veel tamtam gearriveerd en wilde ons het nog niet geheel afgebouwde complex laten zien. Wij vroegen hem wat uiteindelijk de bedoeling was met de paarden. Hij lachte wat en zei:” Ah leuk toch, so mijn hobby, straks rijden met mijn prare, met Friesen voor mijn kar, van de Puntjak naar beneden, plak, plok, plak, plok, wegnja prij met policemotor met sireen. Volbloednja moet racen in Jakarta”. Wij waren verbaasd en vroegen of er een racebaan was in de buurt. Het bleek dat er een gloednieuwe baan was gebouwd, met de meest moderne totalisator in de wereld (Japans). Later zouden we er een bezoekje aan spenderen. 

Vervolgens vroeg hij: “Wah boys!, wat moeten de paarden eten.” Wij stonden perplex bij deze vraag. Je kunt wel nagaan, dit hele gedoe kostte die knakker zowat anderhalf miljoen, en de vraag wat de beesten moesten vreten. Voor Hein werd dit teveel en hij suggereerde dat elke dag een uitgebreide rijsttafel ‘s morgens en een saté als twaalfuurtje, plus een gado gado ‘s avonds wel okay was om de paarden hier wat om te turnen. Om bij deze opmerking je gezicht in de plooi te houden, kostte ons moeite. Gelukkig lachte Pak Djoko (ik weet niet of hij de dubbelzinnigheid begreep).

Na de rondleiding over het complex met de nog te bouwen luxe paardegbouwen - de paardeboxen waren een paleis vergeleken bij de armzalige hutjes waar het personeel in woonde - gingen we serieus praten wat de paarden in de toekomst als voer kregen. We konden gelukkig een voersysteem creëren met de bestaande produkten die daar verbouwd werden, zoals tapioca, zemelen, ongepelde rijst, gemalen mais en gras wat men daar twee maal per dag vers moest snijden, omdat er geen weilanden bestaan, maar sawahs. Voor de renpaarden moest er maar Australische haver geïmporteerd worden. Een dure grap, maar misschien wordt het wel gesubsidieerd door de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking.  We besloten op te stappen en gingen afscheid nemen van onze edele viervoeters. Dit was een beetje pijnlijk, want er was toch wel een band ontstaan tussen ons en de paarden. En wat zou er in de toekomst van terecht komen.

Na een rit van ongeveer vijf uur kwamen we weer in Jakarta, waar we naar Kartika Plaza hotel gebracht werden. Een zeer luxueus Palace hotel, waar we carte blanche hadden. We zopen en vraten ons geheel klem en hoefden alleen een handtekening te zetten. Dit was afreageren op de absurde situatie. Na de roes uitgeslapen te hebben, werd ons medegedeeld dat we hier twee dagen zouden blijven en we kregen het busje met chauffeur-begeleider om ons te vermaken…

Nawoordje van Jan

Ik heb de reis meegemaakt en kom tot de conclusie dat men er, om een nieuwe westerse sport zoals paardesport in een oosters land te introduceren, wat te gemakkelijk denkt en dat men er te nonchalant met het materiaal omspringt. Wanneer een Hollands paard in Indonesië beter woont dan zijn verzorger, krijgt men toch wel een rare indruk van mens en dier.