NA VIEREN

NA VIEREN

Hoofdstuk 1

schooljuf

Het was al drie jaar geleden dat Tine, dat knappe vrolijke vrouwtje van Erna’s chef, Peter den Hof, hoofd van een school voor B.L.O. (Bijzonder Lager onderwijs), zo afschuwelijk was verongelukt. Peter was pas zesentwintig, een ruige donkere man met dik krulhaar dat hij nooit behoorlijk in fatsoen kon krijgen, een warrig zwart baardje en warme bruine ogen onder borstelige wenkbrauwen.

“Dromerig is hij. Toch opgewekt en geestig,” had Erna van Eeden meteen geweten, toen hij haar als nieuwe baas was voorgesteld. Schokkend was die eerste ontmoeting geweest. Er was iets bijzonders aan die man, ja met schrik had ze geconstateerd dat ze onmiddellijk geweldig van hem was gecharmeerd, om er het minste van te zeggen. En zoiets was haar waarachtig, al was ze dan tweeëndertig, nog nooit overkomen. Ze schaamde zich dood. Verliefd op het eerste gezicht nota bene. Wat vulgair! En dan nog wel op zo’n blaag van een jongmens. En waarachtig, na Tine’s dood, nog maar net een jaar na Peters benoeming had ze dagelijks tegen de onzinnige hoop moeten vechten dat ze toch eens, nu ja, na een paar jaar dan, de nu lege plaats naast Peter zou mogen innemen.

Maar wat haalde ze in haar hoofd? Het was uitgesloten dat Peter Tine ooit zou vergeten. Hij was dol op haar geweest. Die twee waren eenvoudig op elkaar toegesneden, hadden alles samen gedaan ook waar het Peters werk betrof. Om de andere dag kwam ze met hem mee naar school en deed de administratie. Het personeel was weg van haar en ze had zich zo ingewerkt dat ieder haar als vaste collega zag. En hoe vrolijk ging dat stel na vieren hand in hand naar huis!

Na vieren ja. En wat ze dan uitspookten, daaraan had niemand deel en de stijve Erna wel het allerminst. Ze gingen veel uit, daar hield Tine van want ach, een beetje oppervlakkig - flodderig -dacht Erna, was ze wel. Ze was verzot op dansen. Erna had het haar - toevallig - één keer zien doen. God wat kon Tine dansen! Elke man die dat zag moest wel stapelgek op haar worden; dus wat moest Peter wel niet voelen, die haar in de armen hield?

En ach, zij, Erna van Eeden, was een stuk ouder dan hij en bij lange na moeders mooiste niet. Een stijve frik - vond ze zichzelf. Geen spoor van - ja hoe heette dat tegenwoordig? - sex-appeal. Foei, wat een woord. Ze was wel een indrukwekkende vrouw, vond men; en dat moest je dan maar geloven. Ja heus, briljant voor de klas, vonden de collega’s. Opgewekt, aanminnig en goedlachs. Maar buiten die klas, waar dan ook, in zichzelf gekeerd, afstandelijk, afwerend zelfs. Slecht gekleed ook, ze wist nauwelijks wat ze aan had, het haar zo snel mogelijk naar achteren gekamd en opgestoken. Alleen een kennersblik had kunnen ontwaren dat haar frikkentronie, als die nu eens marmerbleek was geweest, iets klassieks had - een werkelijk heel fraai profiel. Maar haar gezicht, hals, armen en handen zaten onder de grijsbruine, hier en daar zelfs elkaar overlappende sproeten; ze had bleke ogen en vuurrood kroezend haar.

Maar o ja, ondanks dat uiterlijk voelde Peter zeker wel sympathie voor haar, dat was geen verbeelding. En niet alleen omdat ze zo’n uitstekende leerkracht was. Ze waren allebei, vergeleken met het overige personeel, heel belezen en konden goed met elkaar overweg, ook als ze nu eens niet over boeken discussieerden. “Met jou kan ik praten,” zei Peter altijd en ze waren inderdaad goede verstaanders van elkaars halve woord. Vriendschap dus, pure vriendschap en hij vatte haar genegenheid ook zeker niet anders op.

Maar zij, Erna? Dit was de waarheid: ze was sinds zijn benoeming aan de school idolaat van hem, hoe afschuwelijk en vernederend ze dat ook vond. Ook dat woord was afschuwelijk. Ze was daar nooit op gekomen, maar juist Tine had het gebruikt. Maar niet uit jaloezie. Neen, gekscherend had ze het gezegd, in de koffiekamer: “Erna is idolaat van de baas!” Al het personeel was er bij geweest, èn Peter zelf. En Erna, tot haar onuitsprekelijke ergernis, had zich het bloed naar de wangen voelen stijgen. Och, waarom bloosde ze toch zo hevig bij het minste of geringste? En als het gebeurde, was ze met dat knalrode sproetengezicht helemaal niet meer om aan te zien.

Trouwens, het was dan wel een grapje geweest, maar hoe kwam Tine op dat zotte idee. Ze had geen enkele aanleiding gegeven dat wie dan ook ooit zoiets had kunnen denken. Ze was hypercorrect in alles en de contacten met Peter hadden zich beperkt tot de normale omgang tussen collega’s. Ze kwam nooit bij hem thuis behalve op zijn verjaardag en die van Tine, als heel het personeel kwam feliciteren en ter kennismaking had ze een keer bij de Den Hoffs geluncht. Maar dat waren sociale verplichtingen en dus voor haar louter corvee. Ze voelde zich slecht op haar gemak in alle gezelschap. Alleen op haar kamers kon ze zichzelf zijn. Nee, zelfs daar niet. Alleen in haar dierbare schoollokaal!

Dat lokaal had iets sereens Het zag uit op een binnenplaats met een oude, met klimop begroeide muur en een majestueuze kastanje. Die stond gelukkig niet vlak voor de ramen, want het lokaal zelf lag op het zuiden en zo had ze de hele dag zon. En zelfs als de zon niet scheen vroeg ze zich af waar dan toch dat vrolijke licht vandaan kwam. Peter had eens beweerd dat ze dat zelf uitstraalde. Een ogenblik, met een steek in haar hart, had ze gedacht dat hij op haar rooie haar zinnespeelde. Maar nee, van zoiets ordinairs kon ze hem toch niet verdenken. Ze begreep best wat hij bedoelde. Maar ze vond het overdreven en van loze complimentjes was ze niet gediend.

Maar toch, al na de eerste weken, gebruikte hij dikwijls, als Tine niet was meegekomen, zijn twaalfuurtje bij Erna, in dat hemelse lokaal. Sinds zijn eerste keer bleef ze nu dan ook elke dag over, in de hoop dat hij komen zou. Dat moest ze zich toch wel bekennen. En na dat afschuwelijke ongeluk met Tine - ze was vlak voor school door een tram overreden - maakte hij er een gewoonte van bij Erna te gaan lunchen. Ja, na een jaar had hij zelfs voorgesteld dat zij zo nu en dan bij hem thuis zou komen koffiedrinken, maar het idee alleen al had haar met doodsschrik vervuld. Zij, Erna, in die smaakvolle eetkamer van de Den Hoffs, aan Tine’s tafel, waar hij voor haar gevoel nog zeker zou aanzitten als Tine’s man!

“Nu ja,” had hij op haar pertinente weigering gezegd: “Het zou onwennig zijn, ook voor mij. We doen het nu eenmaal altijd in dat gezellige lokaal van jou.”

“Doen het”! Wat? - Het had even dubbelzinnig geklonken, maar er was natuurlijk niets mee bedoeld. Ze was anders al ver heen om zoiets te kunnen denken, bedacht ze met schrik. Weg ermee! Ze moest deze verhouding, als er trouwens überhaupt van een ‘verhouding’ sprake was, tot elke prijs platonisch houden. Ze aten dus gewoon hun boterhammen uit hun tupperware en Erna schonk koffie uit haar thermosfles. Wel prozaïsch voor een man als Peter, had ze wel eens gedacht. Maar ze praatten honderduit, filosofeerden. psychologiseerden, ‘pedagoochelden’ (zoals Peter het uitdrukte wanneeer ze over opvoeding en onderwijs kwamen te spreken) en debatteerden waarbij het tenslotte een sport werd elkaar vliegen af te vangen en een weddenschap af te sluiten wie het laatste woord zou hebben.

Erna was, eenmaal op dreef, geestig en ad rem, op het haaiige af en ze won altijd. Daarmee waren ze dan in een luchtiger fase van de conversatie beland en Peter was zo’n meester in de gekste woordspelingen dat Erna, geheel onherkenbaar nu, zich slap lachte, wat haar buiten het LOKAAL nooit overkwam. En daarmee kreeg Peter, ook al weer bij uitzondering, de volle pracht van haar gave, hagelwitte tanden te zien. Hij kon haar dan plotseling zo verbaasd aanstaren dat ze niet begreep wat er aan de hand was.

Ja, dat lokaal was haar privé domein. Daar was ze zeker van zichzelf en daar was hij, Peter, helemaal van haar en van niemand anders. En eens betrapte ze zich op de verschrikkelijke gedachte: “Als hij ooit echt van me zou gaan houden, zodat hij HET met me zou willen doen. dan moet HET maar hier tussen de schoolbanken gebeuren en nergens anders.”

Maar zulke haars ondanks wel eens, en ach ja steeds meer opkomende gedachten verpestten eigenlijk alles. Want ze werd daarbij altijd pioenrood en dan zei Peter nietsvermoedend ” Je hebt last van opstijgingen. Je moet daarvoor heus eens naar een dokter gaan. Dat heb ik je al meer gezegd.” - Ze schaamde zich dood en zo was dan alweer het bewijs geleverd dat ze de “verhouding” toch uit alle macht in het platonische moest houden. Want mijn God, hoe verschrikt en teleurgesteld zou hij zijn, als hij merkte dat ze doodgewoon op hem ‘verkikkerd’ was. Alweer zoiets platvloers!

Jazeker, dat moest tot elke prijs. Want juist die verwonderde blik van hem als zij per ongeluk zo hard moest lachen, beangstigde haar. Drukte die behalve verwondering ook be-wondering uit? Ze durfde het niet te geloven. Ze durfde steeds minder naarmate ze meer besefte dat ze niet alleen maar “idolaat van de baas” was, zoals Tine had gezegd, maar waarschijnlijk innig veel en hartstochtelijk van hem was gaan houden - anders was het niet meer uit te drukken. Maar ze kon en wilde niet geloven dat hij voor een mens als zij ook maar iets anders dan kameraadschap, hoogstens sympathie kon gevoelen.

Ach, meer dan tien jaar stond ze nu al voor de klas en had er vrede mee gehad. Ja meer dan dat, want ze hield van haar ongelukkige debielen en imbecielen en had het altijd onbegrijpelijk gevonden dat ze de meeste mensen alleen maar abnormaal en zelfs griezelig en weerzinwekkend voorkwamen. En haast al die jaren had ze dan ook het B.L.O. gediend, met toewijding en overgave, veel intelligentie en inventiviteit - zij, de ras-didactica met haar akte pedagogiek M.O. en haar speciale bevoegdheden op het terrein der orthopedie. Ze was er volledig in opgegaan. En zo had ze, al praatte ze daar niet over, bewezen dat een vrouw, met algehele negatie van haar zogenaamde erotische behoeften, misschien juist daardoor de grootste bevrediging, ja het geluk, in haar werk kon vinden.

En nu deze tegelijkertijd dwaze en diepe verontrusting die haar na twee, drie jaar toch begon op te breken. Was het niet allemaal zíjn schuld? O, ze genoot van zijn gezelschap en wenste tegelijkertijd dat hij nooit in haar leven was verschenen.

Het begon met een vreemde lusteloosheid. Heel het schoolgedoe begon haar prozaïsch, vervelend en vooral afmattend voor te komen. Och, misschien was het overspanning. Dat overkwam al het B.L.O. personeel, doorgaans al na de eerste zes jaar of zo. Ze moest er eens uit. Ja, dat zeiden de mensen dan en Peter drong er op aan. Maar het was iets anders, iets dreigends. Er zou haar iets vreselijks overkomen - ze wist het.

En op een gewone dinsdagmorgen, vlak na de pauze gebeurde het, zomaar voor de klas. Daar stortte, als had iemand haar onverhoeds een stoot in de rug gegeven, in de duisternis van een diepe depressie. O God, al die nu plotseling halfgare en weerzinwekkende smoelen van haar debielen en imbecielen, de afschuwelijke mongooltjes met hun lege dikke ogen, hun openhangende zeverbekken, gezwollen lippen en geatrofieerde schedels - hoe geniepig en kwaadwillig grijnsden ze haar aan. De lichtende zon daarbuiten was een dreigende, al te nabije onheilsster en de strakke blauwe hemel was ver en onverschillig. Heel de wereld, de mensen, de dingen, zelfs de nu zo bloedig rode geraniums op de vensterbanken joegen haar uitzinnige angst aan.

Ze kreeg ziekteverlof, voor weken, maanden. Tot overmaat van ramp was daar weer die stekende pijn in de zij, waar ze al een jaar telkens last van had, maar nu heviger, ondraaglijk haast. Ze moest het bed houden en werd tenslotte opgenomen voor een ernstige operatie. Ernstig ja, en niet zonder risico, had de chirurg gezegd. “Er moet iets uit,” dacht ze steeds, “een abces, een obsessie … Peter.” Soms zag ze hem naast haar bed zitten. “Erna, Erna toch,” zei hij. Of was het een hallucinatie? Het maakte haar dodelijk bedroefd, omdat bleek dat ze hem nog steeds niet had opgegeven, in het aangezicht van de dood. Daarom juist - het … hij … moest er uit, al zou ze dat zeker niet overleven. Dat deed ze dan ook niet.

Hoofdstuk 2

Erna van Eeden was nu in de hemel. Wie had dat ooit gedacht? Ze had niet eens in het hiernamaals geloofd. Maar wat was het er heerlijk! Weg die eindeloze, met steeds korter tussenpozen terugkerende, verscheurende pijn! Weg alle sombere doodsgedachten! Vervlogen de ellendige visioenen van die ongelukkige, vertrokken of mismaakte kindergezichten. Weg de hele wereld die haar als kind al angst had aangejaagd. En weg ook, tenslotte, die steeds maar groeiende, beschamende verlangens …

Ze zweefde hier maar wat wezenloos rond of ging ergens languit in het gras liggen en dacht aan madeliefjes, paardebloemen, boterbloemen. O ja, ook pinksterbloemen. Meer kende ze niet; ze had eigenlijk alleen liefhebberij in kamerplanten. Maar die vier soorten veldbloemen stonden dan ook als bij toverslag om haar heen, een schattig schoolklasje van zacht heen en weer wiegende bloemenkinderen, die ze niets te verbieden en goddank ook niets te leren had. - Het was een goddelijke, heel luie vakantie, anders niet. Die moest maar eeuwig duren en zou het ook. Dat was immers de eeuwige zaligheid, zoals men op aarde zei?

Maar hoe was het mogelijk? Al na een paar weken - nu ja, menselijk gesproken - het konden jaren of eeuwen zijn - was ze zich toch gaan vervelen, net als na zo’n eindeloze, hete, zonovergoten zomervakantie daar beneden. Ze wilde aan het werk! Ook hier moesten de scholen toch wel weer eens beginnen. Wel weer eens …? Het was de hoogste tijd! Al te lang hadden ook hier de kinderen maar wat rongedarteld. En ze wist maar al te goed: als ze zo druk, lawaaierig en ongezeglijk werden, dan kwam er baldadigheid en kattekwaad van. Ja precies, de hoogste tijd dat juffrouw Van Eeden …

Of dreef haar nog een aards instinct? Wilde ze zèlf weer voor de klas, zoals een broedse kip, na wat te hebben rondgelopen om wat te drinken en hier en daar een graantje te pikken zich vanzelf weer naar haar eieren spoedt? - Maar grote God, dan was ze ook eigenlijk beter, verlost van de inertie, uit die afschuwelijke depressie ontwaakt! Ja, ze kon weer voor de klas. Maar hoe legde ze dat in de hemel aan? Wel, de zonnige sfeer van haar oude lokaal was hier zeker en dan tot hoog in de lucht en tot aan de verre horizon. En de kinderen zouden geen problemen geven. Ze sprongen en dansten hier wel wild in het rond, maar raakten niet boven hun theewater. En baldadigheid? Kattekwaad? Stel je voor, in de hemel! Ook om te zien waren zij één voor één engelachtige schatjes. Geen sprake van zeveren, natte neuzen, in de broek plassen, schor geroep, onverstaanbaar gestamel of redeloze driftbuien. Maar juist daarom bekroop Erna de lust die engelen nu eens in hun blote flikkertjes in de schoolbanken te zien zitten in vier rechte rijen. En bovendien, hoe dan ook, het was tijd om het schooljaar te beginnen, op aarde, in de hemel, de hel of waar dan ook. En als niemand daar aan scheen te denken, zou zij, Erna van Eeden, het initiatief maar nemen!

Ook deze kinderen, bedacht ze, zouden na die lange vakantie eerst maar eens aan het schoolleven moeten wennen, heel kalmpjes aan. En dat zou geen moeite geven. Ze was altijd wel streng en stipt geweest, maar werd nooit boos, laat staan dat ze ooit een leerling had gestraft. Toch deden ze altijd haast automatisch precies wat ze zei. Ze wist eigenlijk niet hoe dat kwam, maar in de hemel zou het wel niet anders zijn. Kom, ze moest hen nu eerst maar eens om zich heen roepen …

Nauwelijks had ze dat alleen maar gedacht, of daar kwamen ze van alle kanten aanlopen en gingen bij de grote boom waar ze onder stond te peinzen, in een wijde kring om haar heen staan. Het was een wonder! En hoe aanminnig keken ze haar allemaal aan, de hoofdjes schuin geheven, een lachje om de mond - vol verwachting, benieuwd wat ze nu verder zeggen, nee, alleen maar denken zou.

Ze moesten eerst maar eens rustig in de rondte lopen, dacht ze, van links naar rechts, met de zon mee. En kijk, daar gingen ze al, keurig achter elkaar. Dat kon haast vanzelf in een spelletje overgaan, zoiets als … nu ja, ze zou wel zien. Meteen begonnen de kinders onder het lopen sierlijke huppelpasjes te maken: het werd een vrolijke reidans. Hoe gracieus bewogen zich die kleintjes, in welk een volmaakt rythme! Wie had hen dat geleerd?

danseres

Niemand blijkbaar, want daar begon zijzelf, de stijve Erna die nooit had leren dansen, geheel uit zichzelf al trippelend op de tenen rond te draaien, de armen licht geheven, de andere richting uit, tegen de zon in, als de spil van die wentelende cirkel van kinderen. Sneller draaide ze, steeds sneller … Het werd een pirouette zowaar. Daar sprong ze, met de armen omhoog, één been elegant met een knik in de knie buitenwaarts gebogen, de voetzool tegen de kuit van het andere, gestrekte been, hoog de lucht in, bleef even doortollen en kwam veerkrachtig, met keurig aaneengesloten voeten nu, op de tenen neer. Geen spoor van duizeligheid!

Wat had ze gedaan? Waar was ze in godsnaam mee bezig? Ze wierp een snelle blik op haar horloge, dat, alleen omdat ze keek, weer om haar pols zat, klapte in haar handen en riep: “Zo, dat hebben jullie heel mooi gedaan. Maar nu vlug op een rij naar binnen. Het is al over negenen!”

De kinderen hielden stil en keken haar bevreemd aan. Wat was nu “binnen” en hoe ging je “in de rij”? Wat was “negenen” en dan er nog over? Ze begonnen te giechelen en toen Erna, nu harder, weer in de handen klapte, vlogen ze als een troep opgeschrikte mussen de boom in waar ze begonnen te tjilpen en te kwetteren zonder zich nog iets van hun juffrouw aan te trekken.

Erna keek ze vertwijfeld na. “Hoe krijg ik die ooit weer naar beneden?” dacht ze. “Ze kennen blijkbaar mijn taal niet, kunnen alleen maar gedachten lezen maar gehoorzamen geen bevelen. En hoe is hun eigen taal? Wat zijn het voor wezens, daar hoog in die boom? Kinderen? Vogeltjes? Ik weet nooit precies of ze praten of sjilpen, zingen of fluiten. Maar hoe kan ik hun dan ooit iets leren?

Maar ze liet de moed niet zakken en probeerde het de volgende dagen weer. Het enige resultaat was dat ze erg gesteld raakte op dat ballet openingsceremonieel. Dat herhaalde zich steeds weer en ze maakte zelf grote vorderingen. Ja al ging het allemaal zonder les, ze léérde toch. Ze moest immers wel reageren op de bewegingen van de kinderen en die wisselden steeds. Zo kwamen zij bijvoorbeeld twee aan twee en hand in hand beurtelings met danspassen op haar af, maakten een sierlijke révérence en sloten zich achterwaarts weer bij de kring aan. Haar eigen bewegingen moesten daar wel bij passen - een elegant gebaar met beide handen en een neigend hoofd. Het was immers een morgengroet, een huldebetoon wellicht. En als de kringloop zich plotseling versnelde, ja dan begon ook haar pirouette weer, helemaal vanzelf, waarbij ze zich op den duur wel anderhalve meter de lucht in boorde. Jazeker, het was puur ballet met haar, Erna van Eeden, als prima donna zowaar.

Het was verrukkelijk en ze vroeg zich eens af wat Tine daar nu wel van zeggen zou. Die moest toch ook ergens in de hemel zijn. - En toen wàs Tine er natuurlijk ook meteen. Mooier dan ooit stond ze daar aan de kant toe te kijken: ze klapte in haar handen en riep: “Wel wel, dat zou Peter eens moeten zien! Lieve Erna, hij zou je meteen ten huwelijk vragen. Doodzonde dat je nu dood bent. Waarom heb je op aarde nooit willen dansen? Voor hem? Toen hij mij voorgoed kwijt was?”

“Wat?” riep Erna furieus terug. “Waarom steek je altijd de draak met me? En als Peter - God, ik heb in geen eeuwen meer aan hem gedacht! - als Peter me alleen om het dansen hebben wil …!”

“Och,” lachte Tine onverstoord, “je hebt drie jaar de tijd gehad en het alleen geprobeerd met je geleerde grapjes en je thermosfles. En nu is het te laat.”

Tine was verdwenen en Erna stons als aan de grond genageld tussen de verwonderde hemelkindertjes. Tine! Peter … Maar wat had ze nog met hem te maken? Ze herstelde zich snel. Want daar stond haar klas en ze ergerde zich opnieuw dat er eigenlijk niets mee was te beginnen. Moesten die domme engeltjes niet opgroeien? Volwassen worden? Wat moesten zij niet allemaal nog leren?

Opnieuw, maar nu haast dol van spijt, wilde ze hen in de rij zetten om netjes de school binnen te marcheren. Geen school te bekennen, nee. Maar ze wist het nu; als ze alleen maar wilde, zou die school daar staan. Maar haar ongewone kribbigheid joeg blijkbaar de kindere de stuipen op het lijf. Ze fladderden de lucht in en waren al gauw nergens meer te bekennen.

Wie moest ze om raad vragen? Er waren hier bovenmeesters noch inspecteurs noch kinderartsen, geen pedagogisch adviesbureaus en geen specialisten in de genetische psychologie. Welnu, dan zou ze zich maar tot Onze Lieve Heer zelf wenden. Die was tenslotte hier voor alles verantwoordelijk. En ze was nog maar net op die gedachte gekomen of ze zag hem zwijgend door het Paradijs lopen, rakelings langs haar heen. Ze sprak hem aan. Hij bleef even staan, maar tot haar verbazing zei hij alleen maar: “Wel, Erna, nog altijd hier?” - Hij schudde meewarig het hoofd, glimlachte treurig en liep weer door.

Maar wat later liep ze Franciscus van Assisie tegen het lijf. Er zaten vogels op zijn schouders en op zijn hoofd en hij stond druk tegen hen te praten. Nogal onnozel, dacht Erna, maar hij scheen er veel plezier in te hebben en luisterde maar half toen ze hem haar nood begon te klagen. “Wel, zuster,” zei hij verstrooid “ik ga de vogels toch ook geen kunstjes leren. Het is hier geen circus!”

“Maar je praat toch met ze,” wierp ze tegen.

“Jazeker,” antwoordde hij, “maar in vogeltaal.”

“Maar dat is nu juist opvoeden, onderwijzen!” riposteerde ze, zich haar pedagogiektheorieën herinnerend. “Opvoeding is omgang en omgang is taal.”

De heilige werd oplettend. “Zo is het, zus,” zei hij. “Maar je mag waarheden niet omkeren. Dat is een slechte gewoonte van vrouwen en pedagogen. Een vogel is een dier, maar elk dier is niet noodzakelijkerwijs een vogel. Welnu, opvoeding is wel omgang, maar alle omgang is geen opvoeding, laat staan onderwijs.”

“Nu,” zei Erna koppig, “leer me in elk geval de Paradijstaal; dan kan ik tenminste met die kinders praten, zoals jij met de vogels.”

Franciscus begon hartelijk te lachen. “De Paradijstaal? Die ken je al. Je danst immers met hen? Wat wil je nog meer?”

Dat had ze heimelijk toch ook al eens overwogen. Wat wilde ze nog meer? En het was taal inderdaad, omgang, sublieme communicatie. Maar dan toch in zichzelf besloten, wereldvreemd. Er groeide niets anders uit. Ondanks alle beweging was het in feite statisch. Was niet alles stilstand in de hemel? Was het tenslotte niet gewoon de dood?

Ze besloot nu de Heilige Petrus maar eens om raad te vragen. Ze had, eer ze met haar school was begonnen, wel meer met hem gepraat, want door het voortdurend binnenlaten van hen die nog maar pas de aarde hadden verlaten, had hij, vergeleken met de andere hemelingen, veel menselijks overgehouden. Immers, telkens als hij de Poort opendeed, had hij op de aarde weer het volle zicht. Hij was dan ook, vond Erna, een heel geschikte kerel, heel anders dan al die flauwe moppen die over de hemelwachter daar beneden werden gedebiteerd wilden doen geloven. Ja, hem wilde ze weer spreken en als hij toevallig de Poort open had, kon ze ook meteen eens naar beneden kijken. Misschien was het daar zo kwaad nog niet.

De Poort stond inderdaad wagenwijd open, al had er kennelijk niemand aangeklopt. Petrus leunde lui tegen tegen een deurpost en lachte haar vriendelijk toe. Voor het eerst kwam het haar vagelijk voor dat hij met zijn ruige hoofd wel iets weg had van Peter den Hoff en het viel haar op dat hij even nonchalant in zijn hemelpoort stond als Peter, zo tegen negenen, in zijn schooldeur. Alleen de pijp ontbrak.

Petrus scheen verlegen om een praatje. “Ha, juffrouw.” riep hij, “ik heb je in geen eeuwigheid gezien. Toch weer hier om even naar buiten te kijken?”

“Ja,” lachte, “het begint me hier te vervelen, geloof ik.”

Hij hief waarschuwend een vinger en zei: “O,o, pas toch op! Verveling is een doodzonde in het Paradijs. Daarmee beledig je immers de Allerhoogste die je, en bij uitzondering nog wel, een plaatsje in de eeuwige zaligheid heeft gegund.”

“Kan je in de hemel nog zondigen?” spotte Erna vrolijk. Hij bracht haar nu eenmaal altijd in een luchtige stemming, ook al zag ze hem maar voor een ogenblik.

“Nauwelijks,” zei hij.

“Dat is een anglicisme!” riep ze. Daar was ze warempel weer bezig iemand vliegen af te vangen zoals ze het Peter altijd gedaan had, tussen twaalf en twee.

“Ja juf, je hebt alweer gelijk. De Engelsen tappen de meeste moppen op mij. Vandaar. Maar zondigen kan je hier inderdaad nauwelijks … eh, ik bedoel bijna niet. Stelen bijvoorbeeld. Hoe kan je iemand iets afpakken als alles van iedereen en dus van niemand is? Doodslaan misschien? Gaat ook niet. Iedereen is al dood.”

“En echtbreken, overspel?” opperde Erna ondeugend, zich verbazend over haar lichtzinnige toontje.

“Wat een vraag!” lachte de apostel. “In de hemel wordt niet ten huwelijk gegeven en niet ten huwelijk genomen, zegt de Schrift. Er valt dus echt geen echt te breken.”

“Natuurlijk niet,” zei Erna. “Maar in de bijbel heeft echtbreuk ook de betekenis van overspel, of gewoon ontucht, hoererij als je wilt.”

Petrus haalde de schouders op. “Och,” zei hij, “wat een lelijke woorden allemaal. Wat je eigenlijk zou willen weten is natuurlijk of gewoon liefde bedrijven - sorry, dat is ook een anglicisme: to make love - is toegestaan in de hemel?”

Ze schrok. “Hoe kom je erbij? Dat bedoel ik helemaal niet. Aan zoiets heb ik nooit gedacht!” Ze verwonderde zich nu ineens waarom ze de apostel eigenlijk tutoyeerde. Maar het scheen hem niet eens te zijn opgevallen en hij zei: “Is dat nu werkelijk waar? Je zegt dat je je verveelt en juist dan ga je aan dat soort dingen denken. Heel gevaarlijk, hoor!”

“Je zult er wel meer van weten dan ik,” antwoordde Erna. “Men zegt dat je op aarde vurig en onstuimig was. Maar je afvragen of dat zogenaamde “bedrijven” hier geoorloofd is, is al even dwaas als mijn vraag inzake het zevende gebod. Je hebt er immers een lichaam voor nodig.”

Hij keek nu werkelijk verrast en zei: “Je zou werkelijk denken dat je de nodige ervaring hebt opgedaan, Erna. Of nee, dat betwijfel ik toch. Want dan zou je weten dat een lichaam wel heel leuk is om het in te beleven, maar dat het desnoods ook zonder kan.” Hij wachtte  even, maar sloeg zich van pret op de knieën en riep: “Ha, wie weet beleven wij het nog eens zo, hier in de hemelpoort! Waarvoor staan we hier anders?”

Ze was maar blij dat ze hier niet kon blozen, want heel even doorschoot haar een golf van verrukking. Maar nee, hij ging te ver. Ze had nu eigenlijk beledigd rechtsomkeert moeten maken, maar hij kreeg steeds meer weg van Peter en ze kreeg nu ook het gevoel dat ze hem al jaren kende. “Hoe weet je eigenlijk mijn naam?” vroeg ze.

“O, ik heb immersde sleutelen des hemelrijks en eer ik iemand opendoe heb ik al lang zijn doopceel gelicht.”

“Zo, het mijne dus ook? Dat vind ik heel vervelend. Het is gewoon gênant.”

“Dat jok je weer. Het moet een troost zijn dat er tenminste één in het Paradijs is die alles van je weet. Daar kan je dan niet als hemeling, maar bijwijze van spreken als gewoon sterveling mee praten.”

“Over de liefde zeker. Met of zonder lichaam,” spotte ze.

“O Erna,” lachte hij, “nou sta je warempel met een heilige, ja met een apostel te flirten, als ik het wel heb. Zoiets zou je op aarde niet eens met een collega overkomen. Je bent hier toch wel aan het veranderen. Toen ik je curriculum vitae las dacht ik: Dat is er weer zo één die o zo mooi, statig beminnelijk en schalks zou kunnen zijn als ze zich daar eens niet voor schaamde. Ik zie dat je je ook heel wat eleganter kleedt. Volgens mijn gegevens zag je er daar op aarde niet uit.”

“Och,” smaalde ze “complimentjes, complimentjes. Daar heb ik altijd een hekel aan gehad. Trouwens, zich kleden? In het Paradijs?”

“Jazeker, wat denk je wel? Dat je hier naakt voor me staat misschien? Je zou je dood schamen. Nee, hier draag je gewoon wat je eens graag aan zou willen hebben. Kijk zelf maar eens.”

Dat was ze niet gewend. Ze keek zelden in een spiegel. Ze trok maar wat aan. Als het maar heel en schoon was. Maar nu kon ze het toch niet laten de ogen neer te slaan en even te kijken. Hoe was het mogelijk? Een kanten witte jurk! Of was het alleen maar gaas? Geen mouwen. Hoge taille die haar boezem nu eens wat gepaste prominentie gaf. Hals en schouders wel erg bloot voor een schooljuffrouw. “O God, mijn sproeten!” dacht ze verschrikt. Die had ze nog steeds overal, ook op de nu zo lang schijnende blote, ach toch wel fraaie slanke benen onder dat korte, zo idioot uitstaande rokje!

Maar Petrus riep al: “Pas op! Je voelt je al weer opgelaten en dan heb je zo aanstonds iets heel anders aan. Iets monsterachtigs wil ik wedden; zoiets als het ouderwetse mantelpak dat je op je pasfoto draagt! Ha, je lacht alweer. Bekijk je straks ook even in de vijver. Dan kan je je gezicht zien en dat prachtige roodkoperen haar. Je bent heus een mooie vrouw - apart!”

“Wie staat er nu te flirten?” lachte ze.

“O,” zei hij, “ik heb gehoord dat tussen twaalf en twee alles is toegestaan. En je verveelt je ook niet meer, wil ik wedden.”

Ze vond dat hij nu toch wel wat te ver ging. “Straks wel weer, vrees ik,” zei ze. “En - alle gekheid op een stokje - daar ben ik eigenlijk voor gekomen. Je hebt gezegd dat ik met jou tenminste menselijk zou kunnen praten. Nu ja, ook wegens dat doopceel natuurlijk,”

Petrus keek wantrouwend. “Uit verveling heb je zeker iets raars uitgespookt,” zei hij, “vertel maar op.”

“Ja, ik ben een schooltje begonnen, weet je. Maar het lukt eigenlijk niet. Die kinderen hier willen alleen maar dansen en spelen. Ik moet dan - ik weet niet hoe dat komt - wel meedansen. Dat is wel heerlijk, maar het blijft een naïef en doelloos gedoe.”

“Vind je?” vroeg hij. “Och ja, je wilt ze natuurlijk leren lezen en schrijven, is het niet zo?”

“Precies!”

Petrus krabde zich nadenkend achter een oor en zei: “Dat is wel een hele onderneming. Je hebt natuurlijk ook geen leermiddelen en zelfs geen schoollokaal. Bovendien zal je een speciale vergunning moeten hebben van niemand minder dan God zelf, want zoiets is hier in alle eeuwigheid nog niet vertoond. Ja, wat je ook maar wenst, staat hier ook meteen voor je neus, net als in het sprookje van Piggelmee, maar er zijn grenzen. Een schoolgebouw? In Luilekkerland, nu ja, het Paradijs …?”

“Vraag jij dan die vergunning voor mij aan. Je bent tenslotte één der twaalf apostelen. En zo bewandel ik netjes de hiërachieke weg.”

“Ik zie er weinig heil in,” aarzelde Petrus. “Tenminste niet voor die kinderen. Maar misschien móet je dit wel doen. Goed, ik zal het aanvragen. Maar als het doorgaat moet je er ook wel op rekenen dat God zijn Zoon op een keer zal sturen om te kijken.”

“Och, bezoek van de inspectie. Dat is toch normaal?”

Petrus schudde zijn hoofd. “Je bent onverbeterlijk, juf!”

“Juf” had hij gezegd. Geen “Erna” meer. “Ik dank u bij voorbaat voor de moeite,” zei ze stijfjes en ging weg. Petrus keek haar na. Ze droeg het wulpse jurkje niet meer, maar een zwarte rok en een witte bloeze met een hoog gesloten boordje.

Petrus had blijkbaar succes gehad, want het lukte nu werkelijk er zoiets als een school van te maken. Na de gewone rondedans schaarden de schatjes zich in een lange rij en marcheerden twee aan twee naar binnen. Er wàs nu inderdaad een “binnen”, een echt lokaal met een schoolbord, banken, zowaar geraniums op de vensterbanken. En daar zaten ze nu, met rechte rugjes en de handjes vroom gevouwen op de rand van de lessenaars. Erna dacht nu maar eerst met een verhaaltje te beginnen in de hoop dat de Heer er ook in had voorzien dat ze haar zouden verstaan. Aan haar zou het niet liggen. Ze kon heel boeiend voorlezen en vertellen en koos het verhaal “Het Lelijke Jonge Eendje” van Hans Andersen.

De kinderen luisterden. Maar al de droeve wederwaardigheden van het eendje schenen op hun lachspieren te werken; zelfs de meest tragische konden hen niet ontroeren. Erna begreep er niets van. Ze was juist bang geweest dat al dit aardse leed voor deze schuldeloze cherubijntjes teveel zou zijn. - Cherubijntjes …

Constantijntje, zalig kijndje,

Cherubijntje van omhoog,

d’IJdelheden hier beneden

Uitlacht met een lodderoog …

Juist, Vondel had het al geweten. Hier was het aardse lijden achter de rug, vergeten of tot de juiste proporties teruggebracht; schijn, ijdelheid. Nu, ze zou nog heel lang in de hemel moeten toeven eer ze ook zover was, maar verlangde helemaal niet naar die trotse afgetrokkenheid.

Ze vertelde het verhaal niet uit, wilde hen nu maar eens leren lezen. De spelmethode? De globaal methode? Ze wist het niet en schreef in arren moede maar een stuk of wat grote drukletters op het bord: aa, oo, uu … zonder explicatie. Ze moesten die maar naschrijven, natékenen eigenlijk. Misschien zouden ze nieuwsgierig worden en vragen wat die tekens beduiden. Je moest nu eenmaal met een spelletje beginnen. Ze ging intussen aan tafel zitten en maakte een versje:

Wie doet er mee?

Dit is een ee

Wie doet me na?

Dit is een aa …

Och, wat waren die hemelkinderen ijverig bezig. Ze stond op om hun werk te bekijken. Lieve hemel, ze konden blijkbaar al lang schrijven en nog wel in schoonschrift. Of nee, ze calligrafeerden zelfs, vol aandacht, het tipje van de tong tussen de tanden. Maar ze hadden haar voorbeeld niet nagevolgd en zich beperkt tot twee Griekse karakters. Grieks notabene: alpha - omega - alpha - omega en ga zo maar door. Sommigen hadden al een kwart vel vol. Het was hoogst raadselachtig. Was Grieks de hemeltaal? Maar waarom alleen de eerste en de laatste letter van het alphabet? - Het was duidelijk dat ze een heel nieuwe hemelse didaktiek zou moeten ontwerpen.

Terwijl Erna daar stond te peinzen kwam Onze Lieve Heer binnen om eens rond te kijken zoals Petrus al had voorspeld. Hij gedroeg zich inderdaad als een schoolopziener, wandelde tussen de rijen door, trok hier en daar een cherubijntje aan een paarlemoeren oor, bekeek zijn werk en knikte goedkeurend. -Erna kon het niet laten hem aaan te spreken. “Heer,” vroeg ze in wanhoop, “waarom schrijven die kinderen Grieks, en dan juist alleen de eerste en de laatste letter van het alphabet? Zo komen we er niet!”

Hij keek verwonderd op. “Komen zegt u? Waar?”

“Wel,” antwoordde ze geïrriteerd, “waar we wezen moeten, de leeskunst. Het Grieks is hier toch niet de voertaal en wat moeten ze aan met alleen twee letters?”

De Heer keek haar vriendelijk aan en zei: “Ik wist niet dat je zelf nog zoveel leren moest, Erna van Eeden. Ik ben de ALPHA en de OMEGA en andere letters zijn er niet. Ik ben immers ALLES in ALLEN?”

“Grote goden,” dacht ze, “als Onze Lieve Heer zelf aan godsdienstwaanzin gaat lijden ..!” - Ze staarde hem verbijsterd aan. Maar hij liep met haar op naar het front van de klas en met de rug naar de kinderen fluisterde hij achter zijn hand: “Och juffrouw, je begrijpt toch wel dat we ons hier een beetje aan de voorstellingen in de Openbaringen van Johannes moeten conformeren, willen we niet elk christenmens dat hier binnenkomt in de grootste verwarring brengen? We doen ons best. Heb je het Nieuwe Jeruzalem met zijn gouden straten en paarlen poorten al bezichtigd? En de Glazen Zee? Die heeft enorm veel bekijks!”

“Ik ben hier niet als toeriste,” zei Erna stroef. Maar de Heer zei: “O, maar het hoeft ook niet. Eigenlijk zijn alleen reidans en zang de moeite waard. Waarom laat je die kleintjes niet eens wat zingen, juf?”

Dat deed ze. Maar helaas, ze zongen alleen maar halleluja, halleluja! al werd dat in alle toonaarden en veelstemmig ten gehore gebracht. Het klonk heus als engelenzang, maar duurde eindeloos. De kinderen vatten het blijkbaar op als een slotzang want toen het ten langen leste uit was huppelden ze ook meteen naar buiten.

Enfin, dit was nog maar de eerste dag. Ze zou er wel iets op verzinnen. Inderdaad: op naar een nieuwe didaktiek, ontworpen voor de hemel! De voertaal was tenminste geen probleem, naar het scheen. Tenminste … ja, spraken die kinderen wel, überhaupt? En tot dusver begrepen ze alleen gedachten. Misschien net als zijzelf. Franciscus kende toch geen Hollands? Toch had ze gewoon met hem kunnen praten, nu ja, converseren, communiceren alsof hij Hollands had gesproken. Wellicht zou ze, voor schriftelijke communicatie, een lingua franca met eigen karakters moeten ontwerpen, een hemels Esperanto! Ze was tenslotte vindingrijk genoeg. En de andere leervakken? Ach, wat je debielen kon leren moest voor cherubijnen toch een peuleschilletje zijn. Ze zou maar eens languit in het gras gaan liggen en diep nadenken. En dan ook het gedrag van de kinderen in hun vrije tijd bestuderen. Ze kon dan haar hele methodiek vom Kinde aus ontwerpen. En - ze had een eeuwigheid de tijd.

Maar ach, er kwam geen verandering. Zelf maakte ze grote vorderingen in de danskunst, maar de kinderen met hun onuitputtelijke variaties waren daarin juist háár leermeesters. Ze had verhaaltjes verzonnen die zich in het Paradijs zelf afspeelden, maar niets scheen deze kinderen te boeien, laat staan te ontroeren. Ze lachten maar wat, tolerant, maar toch wat smadelijk. De kuiltjes in hun wangen werden diep en maakten hen hartveroverend, maar toch was het een hatelijk soort reageren, dacht Erna bedroefd. Nu, en dan weer vellen vol alpha, omega, alpha, omega … ze werd er simpel van. En tenslotte dan weer halleluja halleluja! “Met amen amen na.” dacht ze opgelucht als de cherubijnen waren uitgejuicht en het veld ruimden.

Aan rekenen hoefde ze niet te beginnen. Met alleen maar tellen kwamen ze niet verder dan drie om dan in een lofzang op de Drieëenheid los te barsten en alleen maar verder te tellen met de heilige getallen 7, 12, 40, 70 … Daar hield het op. Vanzelfsprekend ja. want zeventig is het symbool der volmaaktheid en der voltalligheid.

Tijdrekening? Als één dag is als duizend jaren en duizend jaren zijn als één dag, wat moeten dan vandaag, gisteren en morgen betekenen? Waar kwam het allemaal op neer? De eeuwige zaligheid bleek slechts de grote stilstand der voleindiging en anders niet.

Nu, toegegeven, die kinderen waren nooit stout of vervelend. Maar wat moest ze aan met al die braafheid? Erna begon vurig te hopen dat er één eens een inktmop op zijn gecalligrafeerde leters zou laten vallen en in snikken uitbarsten zodat ze hem zou kunnen knuffelen en vertroosten. Waarom zat er nooit eens één met zijn mollige gatje heen en weer te schuiven om zijn hoge nood te demonstreren? Waarom donderde er nooit eens iemand van slaap en verveling op de vloer? Waarom vlogen er nooit een paar elkaar in de haren? - En tenslotte wenste ze dat al haar engeltjes naar het plafond zouden vliegen om daar tussen de gipsen guirlandes en bloemtuilen voor eeuwig te verkalken. En ze begreep niet meer dat haar aardse debielen haar ooit waren gaan tegenstaan …

Ze nam maar eens vakantie en ging weer naar de apostel Petrus. Die stond in de hemelpoort naar beneden te staren en merkte haar niet op. Maar ze werd nu eenmaal altijd vrolijk en luchthartig als ze hem zag. “Simon!” riep ze - “Hé Simon Petrus, hebt gij mij lief?”

Hij draaide zich verrast om en antwoordde: “Wel wis en donders, jonkvrouw. Heb je dat nu pas in de gaten?”

Ze had dolgraag nog even willen doorgaan met dit half-ironisch soort hofmakerij, waarmee ze zich nu meer en meer met de hemelwachter vermaakte. Het ging zo losjes en vrij, o, niet echt gemeend, nu ja, wel half-gemeend, het deed er niet toe. Och, het gebeurde op de grens tussen hemel en aarde en het scheen dat je moeilijk serieus kon zijn in niemandsland. Maar ze wilde nu juist over serieuze zaken praten! - “Mijn experiment is mislukt,” zei ze.

“Ik had niet anders verwacht,” lachte de hemelwachter. “Je bent een monomane doordrijfster. Lesgeven aan cherubijnen, dat is toch wel het toppunt! Ik wil wedden dat ze je achter je rug hebben uitgelachen. En dat heeft de lieve God zeker ook gedaan. Zal ik jou eens wat zeggen? Als jij schooljuffrouw wilt zijn en blijven, moet je naar de wereld daar beneden terug.”

“Je raadt mijn gedachten. Ik verlang niet anders. O, laat me weer voor een klas met normale kinderen staan!”

“Je oude klas? Met debielen, mongolen, imbecielen, psychopaten? Zijn die normaal?”

“Ja, het zijn sterfelijke mensenkinderen. Ze doen het in hun broek, ze zijn onhandelbaar, dom, achterlijk, onhandig, onsmakelijk. Maar als ze iets willen vragen, doen ze het. Als jij het doet, geven ze antwoord, al slaat dat in ons idee misschien nergens op. Ze verzinnen dingen, ze groeien, worden op hun manier volwassen. De meesten kan je nog wel een vak leren. En … ze houden van je!”

“Zo is het,” zei Petrus, “dat heb je nu goed geleerd. Engelen zijn liefdeloos. Daar kan je zelfs de Schrift op nalezen. Maar weet je wat je steeds vergeet? Dat er op aarde nog wel andere dingen te beleven zijn dan de schoolmeesterij. Na vieren!”

“Daar heb ik niets mee te maken. Dat is mijn leven niet. Na vieren? Dat is voor mij de hel.”

Ze zweeg een poosje en zei toen plotseling, ze wist niet waarom: “Ik heb Tine den Hoff gezien, de jong gestorven vrouw van mijn chef. Die hoort hier nu helemaal niet thuis.”

“Je hebt het je dan ook verbeeld, zoals zoveel hier louter verbeelding is.” zei Petrus. “Ze is hier niet. Ik heb haar tenminste nooit binnengelaten. Die heeft geen hemel nodig want die beleefde hem al op aarde. Vooral na vieren, weet je. Dan was ze volmaakt, zoals jij het alleen voor vieren wilt zijn, voor de klas.”

“Hoe weet je dat allemaal?” vroeg Erna achterdochtig. “Als ze hier niet is, heb je ook nooit haar doopcel gelicht!”

“Ik heb haar op aarde gekend. Je vergeet dat ik daar als doodgewone sterveling, nu ja, als apostel, ook geweest ben, al is dat dan tweeduizend jaar geleden.”

“Nou heb ik je toch!” riep Erna meteen triomfantelijk. “Die Tine is hooguit drie jaar geleden gestorven.”

“Goed, toegegeven. Je hebt weer het laatste woord. Tenminste … wat is hier het verschil tussen drie en tweeduizend jaar? Dat moet je nu ook wel hebben geleerd.”

“Nu goed,” lachte ze, “niet ik maar jij hebt gewonnen - Maar die Tine dan, zij danste graag en zo goed. Dat zou ik ook willen leren.”

“Wat let je?”

“Maar ik kan het alleen in de hemel . Dat geldt misschien ook voor iedereen. Wie danst is vrij van zijn ongelukkige lichaam. In ek-stase immers! Daarom zou ik telkens terug willen komen.”

“Ha, na vieren dus,” smaalde Petrus. “Daar heb je het weer. Je bedriegt jezelf Erna. We waren het er over eens dat je zonder lichaam liefde kunt bedrijven maar dat het toch leuker is dat ìn het lichaam te beleven. Zo is het ook als je danst. Het is niet alleen een hemelse, maar ook een lichamelijke sensatie. Ik heb het idee dat die Tine waar je zo jaloers op bent het allang weer op aarde doet, misschien zelfs als kleuter van drie jaar! Reken maar dat ze geniet. Je bent halfslachtig - Als je naar de aarde wilt zal je dat voor altijd moeten doen.”

“Je praat er gemakkelijk over. Waarom doe je het zelf niet? Je barst van verlangen. Eeuwig sta je naar beneden te turen!”

“Ja,” antwoordde hij en werd nu ongewoon ernstig, “maar het gaat zomaar niet. Wie teruggaat moet natuurlijk eens opnieuw lijden en sterven. En eens, eens werd ik als de Heer gekruisigd. Toch zou ik het durven. Juist nu. Maar ik heb hier nog een kleine taak te verrichten …”

Hij keek haar plotseling indringend aan en zei: “Hoewel … die zou heel snel, ja vandaag, nee nú al kunnen worden volbracht. Dat hangt van jou af, Erna!”

Hij nam haar bij de hand en samen stonden ze op de drempel van de Hemelpoort.’Kom!” riep hij, “Laten we naar beneden springen!”

“O God, wat zou het heerlijk zijn om met deze vreemde, maar haar toch zo bekend geworden hemeling, deze halfgare apostel die hier lak aan alles en iedereen scheen te hebben, de sprong te wagen! Ze boog zich voorover en keek naar beneden. Daar onder lichte vederwolkjes leek de verre aarde een paradijs! Het duizelde haar, ze wankelde op haar benen.

“Pas op!” riep Petrus. “Je laat je vallen. Dat is fataal. Je moet heel opzettelijk springen. Wees niet bang. Ik spring mee. Een schildwacht wordt om de twee uur afgelost. Dus is het voor een hemelwachter na tweeduizend jaar ook wel eens tijd!”

Hij lachte luid, omklemde haar hand, liet zich al even door de knieën zakken om af te zetten …

Maar Erna rukte zich los en deinsde terug. “Mijn God,” dacht ze, “gekruisigd zei hij. Onieuw lijden en sterven. Dat nooit!”

Meteen richtte Petrus zich weer op, smeet woedend de deur voor haar neus dicht en riep driftig: “Erna, ik geef het op! Zoek het verder maar uit met Onze Lieve Heer. Je moet trouwens verdomme je ontslag nog bij hem indienen. Ik weet geen raad meer met jou!”

Maar de Heer was nergens te vinden, hoezeer ze ook aan hem dacht. Ze sukkelde dus nog maar wat door met haar klasje in de hoop dat hij nog eens op inspectie zou komen. En toen hij eindelijk verscheen zei ze hem meteen dat ze geen school meer wilde houden en terug verlangde naar de aarde.Hij trok de wenkbrauwen op en zei heel rustig: “Ja, als je in het Paradijs ergens geen aardigheid meer in hebt moet je er mee ophouden. Straks zou je nog een hekel krijgen aan dansen ook. Dat zou jammer zijn.”

“Nu, dan laat ik die kinderen meteen gaan,” zei Erna stuurs. Ze hoefde niets te zeggen. De engeltjes buitelden de school al uit en zij volgde langzaam met de Heer. Toen ze nog even omkeek was de hele school verdwenen. “Hij voorkomt mijn wensen,” dacht ze.

Maar de Heer bleef nu staan en zei: “Erna, het verveelt je dus allemaal weer. Ja zelfs de engelen en wie weet ik zelf vervelen je. Dat is een doodzonde, want God de Vader heeft je hier in heerlijkheid opgenomen.”

“Ja, zoiets zei de heilige Petrus ook al,” antwoordde ze wrevelig.

“Maar je hebt nog iets veel ergers gedaan. Ik heb gezegd: “Laat de kinderkens tot mij komen. Toen heb ik ze, op je eigen verzoek, aan jou toevertrouwd. Maar je kreeg er genoeg van, alleen al omdat ze nog maar twee letters kennen en niet weten dat twee maal twee vier is. En je bent nog wel bij het B.L.O. in dienst geweest!”

Dat was een onverdiend verwijt, wist ze en het maakte haar furieus. “Ze gewoon weggestuurd, ja dat heb ik!” riep ze, vuurrood aanlopend, “Weggestuurd, halleluja! Het waren helemaal geen kinderen. Een soort gesublimeerde vogeltjes. Cherubijntjes! En die hebben niemand nodig. Ook jou niet. Ze lachen je uit met lodderoog, zegt Vondel. Laat liever op aarde de kindertjes tot je komen. Die hebben je wel zeker nodig! - En verveling? Je eigen apostelen vervelen zich in de hemel. Zelfs Petrus die tenminste nog wat te doen heeft. O, de sleutelen des hemelrijks. Wat een eer!! Maar kan je voor hem niets beters gebruiken dan voor portier? En dan - wat spook je zelf hier eigenlijk uit?!”

Ze zweeg buiten adem en sloeg een hand voor de mond. Ze had nu toch werkelijk godslaterlijk gesproken.

Maar de Heer was rustig op een grote steen gaan zitten en keek haar vriendelijk aan. “Erna,” zei hij langzaam, “ik zal je eens wat zeggen. Ik zit vrijwel de godganse dag op de Troon aan de Rechterhand des Vaders, zoals mijn volgelingen zeggen. Kan je je iets vervelenders voorstellen?”

“Maar u zult terugkeren naar de aarde.”

“Jawel, maar om te oordelen de levenden en de doden. Denk je dat dàt zo’n pretje is?”

“Wel,” zei Erna en ging er nu ook maar bij zitten, “ik heb dus gelijk. Ze kunnen u, net als Petrus, daar beneden ook veel beter gebruiken dan hier. In de ziekenhuizen, veldlazaretten, de gevangenissen bijvoorbeeld, of in mijn eigen school. Daar kunt u zelfs zo nu en dan nog duivelen uitwerpen als u er zin in heeft. U bent immers de grote Ontfermer? Jaja, dat is mijn geloof al dien ik dan het Openbaar Onderwijs. Maar over wie moet je je in godsnaam ontfermen? Ik ontfermde me over engeltjes, maar dat bleek een idiote onderneming.”

“Nu zal ik je toch de hele waarheid maar vertellen, Ernalief,” lachte de Heer. “Ik daal nog geregeld naar de aarde af, zelfs voor jaren. Eigenlijk kom ik alleen maar telkens hier een beetje uitblazen als ik weer voor de zoveelste maal gekruisigd ben. Aan de Rechterhan des Vaders? Malligheid. Ik woon op aarde en, zoals een groot wijsgeer heeft gezegd, in doodsstrijd tot het einde der dagen.”

Erna, nu geheel uit het veld geslagen, keek hem verbijsterd aan Ze had zin om haar hand op de zijne te leggen, maar aarzelde toen ze het witte litteken zag. Ze zei zacht: Maar u bent nu toch hier, mijn lieve Heer?”

“Ja, om even bij te komen, zei ik al. Of nee, misschien alleen maar omdat jij denkt dat ik hier ben. En zo staat ook Petrus aan de hemelpoort omdat iemand zich dat verbeeldt. Alleen weet ik niet of hij dat doet of jij. Allebei waarschijnlijk.”

“Ik?” vroeg Erna verschrikt. “Verbeeld ik me ook maar dat ik in de hemel ben? Zou ik gewoon wakker kunnen worden, hier wegstappen en op de wereld voor mijn klas gaan staan? - Och nee, Petrus is dood en ik ben dood en iedereen hier. Nu ja, u bent opgestaan, naar men zegt, maar verder is uit de doden nooit iemand weergekeerd. Dat levenden zich verbeelden in de hemel te zijn is natuurlijk mogelijk, maar dat doden zich überhaupt nog iets verbeelden is ongerijmd. Welnu, ik bèn dood zoals ik zei. Dat lijdt geen twijfel. Het laatste wat ik me herinner is dat de dokters alle hoop hadden opgegeven. Ik heb me dus niets te verbeelden; ik moet hier wel in een soort hiernamaals zijn. Maar hoe je het ook wendt of keert, het is een wezenloos verblijf … De zaligheid! “Wat geen oog gezien en geen oor gehoord heeft, wat in geen mensenhart is opgeklommen?” Ach, ik ben geen mystica. Het enige wat ik er van zeggen kan is dat alle gezond verstand er bij stilstaat.”

Deze redenatie scheen de Heer wel wat in de war te brengen. Hij plukte eens aan zijn baard en zei eindelijk bedachtzaam: “Ik kan je daar nu geen antwoord op geven. Dat zou alles bederven Wel begin ik te vermoeden dat je nog niet rijp bent voor de zaligheid, evenmin als ik zelf trouwens. Maar - wil je dan werkelijkzo  graag naar de aarde terug?”

“Ja,” zei ze, “dat wil ik. Of ik nu leef of dood ben, hier is het allemaal dood in de pot. Ik wil een klas met gewone kinderen, al zijn ze dan achterlijk, nu ja, “gehandicapt” moet je tegenwoordig zeggen. Maar dat was mijn leven. En als ik het goed begrepen heb hoef ik dat alleen maar te wensen, te willen, me te verbeelden voor mijn part en dan gebeurt het.”

“Zo is het.”

“Waarom gebeurt het dan niet?”

“De enige reden zou kunnen zijn dat je het eigenlijk niet, of tenminste niet helemáál wilt. Zeg eens eerlijk.

“Och,” aarzelde ze, “ik zou, als uzelf, opnieuw moeten lijden en sterven. Daar heeft Petrus me al voor gewaarschuwd. Maar dat heb ik nog maar kort geleden gedaan. En het was gruwelijk. Het is teveel gevraagd dat voor een tweede keer te moeten doen.”

“Erna, eenmaal terug op aarde zou je daar niet meer aan denken en wel zeker niet als je daar voor iets, of voor iemand leven zou. Maar misschien zie je niet eens tegen dat sterven, maar juist tegen het leven op.”

Ze stampvoette bijna van ongeduld. “Maar ik wil juist leven, heb ik u gezegd. Eens zag ik mijn leerlingen plotseling als grijnzende monsters. Daar begon de ellende. Daar ben ik aan dood gegaan. Als compensatie mocht ik hier de engeltjes onderwijzen. Er viel hun niets te leren … Maar nu? Ik ben weer normaal. Ik ben dood en toch genezen. Ik ben pedagoge, ik wil kinderen opvoeden, minstens fatsoenlijk grootbrengen. Dat is mijn leven en het is nu al de derde keer dat ik dat zeg!”

“Erna,” zei de Heer, “de cherubijnen kon je niets leren. Maar heb jij niet iets van hèn geleerd?”

“Dansen en springen ja,” zei ze verachtelijk, “anders niet.”

“Kijk nu,” lachte hij, “dat is niet aardig en niet eerlijk. Je hebt er van genoten. Dansen is een overgave en wie weet was het juist dàt wat je ontbrak. Je zou dus iets missen op aarde, tenzij …”

“Tenzij wat?”

“Dat zou je zelf moeten invulen en als je dat kon zou je ook voor honderd procent terug willen. Ja, dan wàs je al op aarde. Waarom sprong je niet met die goede Simon Petrus naar beneden toe hij op het punt stond dat met jou samen te doen?”

“Ik werd duizelig.”

“Je was dus bang?”

“Och,” zei ze, geërgerd weer, “bang … Al dat gepraat. Kunt u er echt niets op verzinnen dat ik weer voor de klas kan staan en toch niet opnieuw … Ach, als alles kan, moet dat toch ook kunnen? Och, dat kan natuurlijk helemaal niet. Maar toch …”

De Heer stond op en staarde een poos voor zich uit. Toen keek hij haar ernstig aan en zei: “Erna, het is altijd kiezen of delen. Alles of niets. D’r in of d’r uit. Maar ik vind jou een uitzonderlijk geval. Je weet het niet, maar ook op aarde heb ik wel eens bij je binnengekeken als je met je klas bezig was en zo heb ik een zwak voor je gekregen. Nu, jij gaat naar de aarde terug, naar die klas. Je blijft er van negen tot vier, elke dag. Maar geen minuut langer. Klokslag vier ben je hier in de hemel terug … Denk erom, dit is een GEBOD dat niet mag worden overtreden. Doe je dat wel, dan gebeurt er iets fataals. In letterlijke zin, wel te verstaan. Dat wil zeggen dat je dan zelf over je FATUM hebt beslist.”

Maar naar die waarschuwing luisterde Erna al niet meer. “Maar dat is precies wat ik verlang!” riep ze opgetogen. “Trouwens, wat heb ik na vieren op de wereld nog te maken? Ik kom weer hier, maak een dansje met de cherubijnen en kom nog eens om raad vragen. En zo hoef ik ook geen afscheid van de apostel Paulus te nemen.”

“Het kon hem wel eens duchtig vervelen jou elke dag in- en uit te moeten laten,” lachte de Heer. “En wat mij betreft, je zult mij in de hemel niet meer ontmoeten en me dus ook niet meer om raad kunnen vragen. Je hebt je keus gemaakt en zal het dus allemaal zelf moeten rooien voortaan.”

En hij werd voor haar ogen weggenomen.

Wordt vervolgd.

This entry was posted on Friday, October 16th, 2009 at 18:18 and is filed under Alles en Niks. You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can leave a response, or trackback from your own site.

2 Responses to “NA VIEREN”

  1. October 16th, 2009 at 18:21

    corrie says:

    Dit verhaal is niet door Oma geschreven, maar door haar vader: Dr. P.B. Renes

  2. November 28th, 2009 at 11:48

    Cristel says:

    Wanneer komt het vervolg dan……

Leave a Reply