NA VIEREN deel 2

Hoofdstuk 3

“Rustig maar,” zei Petrus gemelijk, toen hij haar de volgende morgen uitliet. “Je hoeft niet eens te springen. Ik laat je langzaam zakken aan dit zilveren koord. Daarmee kan ik je vanmiddag ook weer optrekken: je bent wel een lastpost, hoor!”

“En jij wordt een knorrige oude heer,” lachte Erna vrolijk. “Geen wonder. Tweeduizend jaar!”

Ze was uitstekend gemutst, liet zich goedsmoeds zakken en kwam precies voor het hek van het schoolplein terecht.

Het was even voor negenen. Ze genoot van al die ravottende kinderen achter dat hek. Een stuk of wat speelden tikkertje. Ho, daar viel er één een gat in zijn knie. Ginds waren ze aan het knikkeren en kregen ruzie. Twee vielen elkaar woedend aan. Vroeger zou dat wilde gedoe haar geërgerd hebben en die twee vechtersbazen - ze zou zeker tussen beiden gekomen zijn. Nu vond ze het vermakelijk. Dit was Leven!

Aan de overkant van het plein stond Peter in de open schooldeur en praatte luid en opgewonden met het personeel. Ze meende hem hier, op vijftig meter afstand, ondanks het gejoel van de kinderen, bijna woordelijk te kunnen verstaan. “Ik weet er geen raad op,” dacht ze hem te horen zeggen. “Erna dood, nog steeds geen vervangster en nu is Marie Kooy ziek. Gisteren heb ik de inspectie gebeld en die zou een sollicitante sturen. Maar ik zie niemand.” - Ja, zoiets zei hij, maar ze was er toch niet helemaal zeker van. Ze wachtte nu maar eerst tot de bel ging.

Toen iedereen zowat binnen was en Peter aanstalten maakte de deur te sluiten, stak ze snel het plein over en stapte op hem af. Ze had al lang bedacht dat ze zich moeilijk als de herrezen Erna van Eeden kon voorstellen, maar wat had hij zojuist over die vervangster gezegd?

Ze stak haar hand uit en zei: “Ik ben juffrouw Hemelrijk, Meneer. De inspectie heeft me naar deze school gezonden. Op proef - om eventueel in de vacature van juffrouw Van Eeden te voorzien.”

Peter bekeek haar met verbazing - en niet zonder enige bewondering, zoals ze verrast opmerkte. Hij krabde zich op de kruin, als had hij moeite in een totaal onverwachte situatie het passende antwoord te vinden.

“Hemelrijk,” mompelde hij, blijkbaar toch enigszins vermaakt. “Goeie God juffrouw, voor ons bent u werkelijk uit de hemel komen vallen. Ik had niet gedacht dat de inspectie …”

Hij brak zijn zin af en pakte haar uitgestoken hand plotseling met allebei de zijne, hield die even vast en zei: “Welkom, welkom! Neemt u mij niet kwalijk. U lijkt verwarrend veel op uw voorgangster, maar u bent om zo te zien een heel stuk jonger. Ik dacht waarachtig even dat ze weer voor me stond. We waren allemaal erg op haar gesteld en ik  zelf wel in het bijzonder.”

“Peter, ach Peter!” dacht ze. “Zo meteen begin ik nog te huilen. Wie staat er nu eigenlijk in de hemelpoort en wie in de schooldeur?” - Ze keek verlangend naar binnen - het oude vertrouwde gebouw. Was dit geen hemel? Hoe lang was ze nu eigenlijk weggeweest?”

“Komt u mee,” zei hij. “Wilt u vandaag al beginnen? Ja? Dan zal ik u even wegwijs maken. Zal ik uw mantel even aannemen?”

Hij bracht haar naar de kapstok in de hal, naast de grote spiegel. Ze wierp er snel een blik in toen ze haar mantel uittrok. Was zij dat? Hoe zelfbewust! En wat was ze slank geworden. Leuk springerig haar toch. Rood koper had Petrus gezegd, maar nu dan toch met twee zilveren strepen. Ze was waarachtig grijs geworden. En toch “een heel stuk” jonger? O ja, haar lichte ogen glansden. En waar had ze die beeldige mosgroene, fluwelen japon vandaan? Dat was toch geen schoolkleding? Gloednieuw, met een brede ceintuur - een zilveren gesp. Een halsketting van dikke witte kralen. Had ze zich dat allemaal, als in de hemel, alleen maar gedacht? Ze nam de zoom van haar mouw tussen duim en wijsvinger, wreef even. O nee, dit was stof, materie … De sproeten? Nauwelijks zichtbaar - Hoe was het mogelijk? Ze had zich opgemaakt! Waar? Wanneer? Bungelend aan het zilveren koord? Had ze zich onherkenbaar willen maken?

kleding

Ze liepen nu door de lange corridor met de lokalen aan weerszijden. “Ja,” zei Peter, “Erna van Eeden was een prima onderwijzeres, maar wel één van regelmaat en orde. Maar de klas is intussen al tweemaal van leerkracht veranderd. Het is een bende geworden. U zult telkens na vieren wel het een een ander hebben uit te zoeken en op te ruimen, vrees ik.”

Ze gingen de laatste deur rechts binnen. Haar lokaal! Het uitzicht op de oude muur. De zon! En de planten op de vensterbanken. Maar die zagen er treurig uit. De kinderen waren al binnen. Ze had ze al het nodige lawaai horen maken maar ze gingen natuurlijk netjes achter hun tafeltjes zitten toen de bovenmeester binnenkwam. Peter wees haar het lesrooster en haalde de persoonslijsten uit de kast.

“Die moet u maar eens rustig bestuderen als u de gezichten een beetje kent. U moet ze natuurlijk ook uitvoerig bijhouden en daarvoor veel huisbezoek doen. Maar daar praten we nog wel over. Begint u maar vast. Het eerste half uurtje is “vertellen” vandaag. - Hé, geen krijt en geen wisser! Die breng ik zo straks wel even. Overigens, dat rooster is natuurlijk niet bindend, want het onderwijs is hier hoofdzakelijk individueel … Eh, wat ik vragen wilde, heeft u eigenlijk wel ervaring bij het B.L.O.?”

Hij keek haar nu wat spottend aan en heel even dacht Erna dat hij haar toch wel degelijk had herkend en haar spelletje maar meespeelde. Maar nee, àls hij haar had herkend had hij haar voor een geestverschijning moeten houden en was van de schrik door de grond gezakt! Waarschijnlijk, nee zeker had hij nog moeten spreken aan haar graf en ze was wel benieuwd wat hij bij die gelegenheid had gezegd. Maar huisbezoek? En opruimen na vieren? Dit tijdelijk verblijf op aarde zou nog de grootste verwikkelingen geven. Daar had ze helemaal niet aan gedacht.

Peter had zich intussen tot de klas gewend: “Kinderen,” zei hij, “alweer een nieuwe juf. Ze heet juffrouw Hemelrijk en ik beloof jullie dat ze niet zoals die anderen na een paar weken zal verdwijnen. Nee hoor, misschien blijft ze hier wel altijd. En jullie hebt natuurlijk allang gezien dat ze veel op onze lieve juf Erna lijkt, nietwaar?”

De kinderen knikten ijverig en bekeken haar weer aandachtig.

“Nu,” vervolgde Peter, “misschien is ze wel even lief en zal jullie evenveel leren. Wees dus maar erg aardig voor haar, want aan zo’n stel rakkers als jullie moet ze natuurlijk wel even wennen!”

De klas lachte uitbundig en hij verdween.

Daar stond ze dan. De kinders! Jantje Houtman met zijn eeuwige stinkende schipperstrui en z’n gekke lachje. Het zwaar stotterende Marietje Bots met haar gele luizenbos, het slaperige, mongolide Keesje van de groenteboer, het coquette Sjaantje Rethmeier; die leek waarachtig wel een cherubijntje met haar gouden krullen, maar dan wel een heel onnozel exemplaar … Ze zaten allemaal op andere plaatsen dan vroeger: Sjaantje naast die altijd kletsende en zwoele Marjan van Boven? De lawaaiierige en onoplettende Daan Vervoort aan een tafeltje helemaal achteraan?

Dat ging niet. Erna verhuisde hen allemaal naar hun oude plaatsen en noemde hen één voor één bij hun naam. Er ontstond een dodelijke stilte. Herkenden ze haar nu of niet? Och nee, het beeld in de grote spiegel had een heel andere vrouw vertoond dan de oude Erna van Eeden.

Eerst nu maar vertellen. Het lelijke jonge eendje weer, want ze wilde nu toch wel weten of dat nu werkelijk zo’n stupide en lachwekkend verhaal was als de hemelkinderen hadden doen voorkomen. Maar nee, niemand lachte. De kinderen leefden helemaal met de arme vogel mee. En wat een spanning toen hij eindelijk, na twee jaar, een vijver binnenzwom en dacht dat zijn laatste uur geslagen had toen hij al die statige zwanen zag. Beschaamd boog hij zijn lange hals en zag zijn spiegelbeeld in het water: een echte zwaan, de witste en mooiste van allemaal!

Ze had niet gemerkt dat Peter met krijt en een bordewisser op zijn tenen was binnengelopen. Hij stond bij de deur en riep: “Ja, net zo mooi als de nieuwe juf!” - en de kinderen klapten in hun handen.

Daar schrok Erna geweldig van en o God, ze bloosde nog heviger dan voor haar dood. Maar Peter liep op haar toe en fluisterde: “U ken het klappen van de zweep, dat zie ik wel!”

Een paar kinderen staken hun vinger op en riepen: “Meester! De juf kende al onze namen en we kregen de oude plaatsen terug!”

schoolklas

Nu sloegen Erna helemaal de vlammen uit en ze dacht: “Hoe moet het straks om vier uur? Als ik dan maar niet hier of op het schoolplein voor ieders oog ten hemel vaar!”

Gymnastiek nu. Niet bepaald haar lievelingsvak. Ze vond het niet belangrijk: armen voor, opzij, omhoog, een looppasje, een spelletje … Maar de kinderen schenen nu zo vol verwachting , dat ze niet met hen naar het gymnastiekzaal ging, maar naar de binnenplaats. Waarom zou ze hen daar, onder die grote kastanje die al aan het uitlopen was, niet eens een paar leuke pasjes leren? - Buiten!

Ze liet hen, als eens de hemelkinderen, in een kring om zich heen lopen. Het ging wel erg klungelig. De meesten maakten in plaats van een simpel danspasje onhandige sprongen en raakten uit de kring. Een paar vielen op hun neus en de rest hoste maar wat voort. Toch waren er wel drie die onvermoede gaven toonden zoals dat bij kinderen die nog maar nauwelijks lezen en schrijven kunnen leren, meer voorkomt. Eén daarvan was het vieze Jantje Houtman notabene, in zijn dikke stinkende trui. Wat een bevalligheid plotseling in zo’n onaanzienlijk misbakseltje! Maar die drie maakten deze originele les dan ook wel de moeite waard. Erna kreeg er plezier in, al had ze wel het een en ander voor te doen. De kinderen moesten nu op hun tenen lopen en om de drie passen een keer in de rondte draaien. Al tellend van “één, twee, drie, hup!” liep ze nu met hen mee. Maar bij de vijfde ‘hup’ bleef ze zonder opzet even rondtollen. Ze keek omhoog en zag de vogeltjes op de takken van de kastanje. Ze kwetterden haar vrolijk toe en o jé, daar begon ze al omhoog te cirkelen. En in een flits zag ze Peter die achter het venster van één der lokalen stomverbaasd stond te kijken. Vol schrik bracht ze zichzelf tot stilstand. Nee, aan zulke dingen moest ze hier toch niet beginnen. Iedereen zou denken dat ze stapelgek geworden was. Nee, straks na vieren maar … In het paradijs!

Tussen twaalf en twee ging ze dan die kasten maar eens opruimen en bedacht spijtig dat Peter bij zo’n nieuweling zeker niet zou komen lunchen. Even voor tweeën ging ze naar het personeelstoilet vlak naast Peters kantoor. Zijn deur stond wagenwijd open en toen ze de w.c. weer uitkwam en haar handen wilde wassen bij het fonteintje, hoorde ze hem telefoneren. Echt iets voor hem er niet aan te denken die deur eerst even te sluiten.

“Jaja,” hoorde ze hem zeggen, “Hemelrijk. Hoe komt ze erbij! Er was een vage afspraak dat ze misschien over veertien dagen weer aan het werk zou gaan. - Wat zegt U? - Veel te vroeg? - Ja, haar lichamelijke conditie schijnt prima, beter dan ooit. Is ze nu van die langdurige coma nog zo in de war? Komt dat door die zware narcose? - U weet het niet? - Nu, in elk geval, ze kwam vandaag op school, onder die gekke naam dan, zoals ik al zei en beweerde dat ze juffrouw van Eeden kwam vervangen. Nu, ik heb besloten dat spelletje maar mee te spelen, maar of ik daar goed aan gedaan heb? - - U vindt van wel? Maar wat nu verder? - - Oja, heel normaal; ze gedroeg zich voor de klas alsof ze nooit was weggeweest. Of nee, ze deed het beter dan ooit, voorzover er dan nog iets beter kon. Nu ja, er is toch wel iets vreemds. Ze heeft iets stralends, iets extatisch zou ik haast zeggen. In plaats van gymnastiek gaf ze een soort dansles en voor haar ziekte kòn ze niet eens dansen, zelfs geen simpel stepje. - - Ja, dat zal ik maar doen. Gewoon die vertoning volhouden tot er vanzelf een oplossing komt. Ze zal toch wel gauw tot zichzelf komen. Wel moeilijk met de collega’s straks. Maar ze houdt zich altijd erg afzijdig. - - Goed, dat zal ik doen.”

De telefoon werd neergelegd. Erna stond verstijfd voor het fonteintje, een stuk zeep nog in haar droge handen. Hij had haar herkend, dat was nu wel zeker. Maar wat had hij gebazeld over een coma, over een narcose? Lichamelijk weer helemaal hersteld …? Ze was dus helemaal niet overleden, alleen maar “vreemd”, misschien wel gek geworden? - Een ogenblik dacht ze er over nu maar Peters kantoor binnen te stappen om hem te vragen wat er dan in godsnaam met haar aan de hand was geweest - nòg aan de hand was … De hemel, allemaal verbeelding? Maar wat een figuur zou ze slaan; ze zag zich al voor Peter staan, pioenrood natuurlijk, de oude Erna weer … Dat nooit! Als hij dan dit spelletje maar zou volhouden zou zij zij het ook doen.

Plotseling zat ze weer in haar lokaal, achter haar tafeltje, het stuk zeep nog steeds in de handen. Ze herinnerde zich niet dat ze binnengekomen was. Leed ze aan slaapwandelen overdag? Wat moest ze doen? Daar was ook nog het GEBOD: om vier uur terug? Ook verbeelding, begoocheling? - Neen, de “Heer” - nu ja, zoals hij op inspectie was geweest en die nonsens van ALPHA en OMEGA, dat kon ze gedroomd hebben - de Heer was in dat laatste gesprek, met die opdracht, toch meer dan reëel geweest.. De Christus ja, en geen ander. Ze had de littekens in zijn handen gezien. En om vier uur blijven zou fataal zijn - opnieuw lijden en sterven. Dàt was geen onzin. En opnieuw, wie wist, met Peter lunchen in dit lokaal om “met geleerde grapjes en een thermosfles”, zoals Tine zo smalend had gezegd, maar weer geduldig en met weinig hoop te wachten tot hij misschien … dat was zeker lijden en een gewisse dood.

De kinderen kwamen binnen en ze vermande zich. Lezen en schrijven nu, maar geheel individueel. Ze liet hen één voor één bij zich komen, de gewone routine en ze kon zich nauwelijks voorstellen dat ze ooit was weggeweest. Maar de kinderen waren wel achterop geraakt. Zoals het arme Jantje Houtman die met lezen zo aardig was vooruitgegaan, hier nu zijn lesje stond te verhaspelen! Maar ze ergerde zich niet. Wat deed het er toe? Het ventje bleek immers te kunnen dansen?

En rekenen? Ach. Maar tot tien tellen konden ze tenminste nog allemaal. Dat hadden ze op de hemel voor. Ze glimlachte bij zichzelf en was het telefoongesprek al weer vergeten. Het was heerlijk hier weer aan het werk te zijn.

Maar tegen vieren maakte zich een vreemde onrust van haar meester. Ze ging voor het venster staan en keek naar de grote kastanje waaronder ze had gedanst. Ze schrok toen de bel ging, liet vlug de klas uit en maakte zich klaar om te vertrekken. Maar juist toen ze de deur wilde uitgaan, kwam Peter binnen, een stapeltje paperassen onder de arm. - “Juffrouw Hemelrijk,” zei hij, “ik heb toch een paar nadere gegevens van u nodig. Het schijnt dat er iets vreemds met uw komst aan de hand is. Ik heb de inspectie gebeld, maar uw naam is daar onbekend. Hoe hebben ze u als vervangster naar deze school gestuurd?”

“O God,” schrok Erna, “daar heb je het al. Mijn identiteit!”

“Ach meneer,” zei ze en probeerde aanminnig te lachen, wat haar wonderwel gelukte. “Ik heb toevallig haast. Kan dat morgen niet?”

Meteen duwde ze hem opzij, wrong zich door de deuropening en liep op een holletje het lokaal uit. En toen hij, van de schrik bekomen, haar snel naliep, was er in de hele corridor al niemand meer te zien. En ze had haar mantel in de hal laten hangen.

Even dacht Erna dat ze nu toch gewoon in de keukendeur van haar flat stond, een tas met boodschappen in haar hand. Had ze nu gewinkeld? Ze herinnerde er zich niets van. Wat een onzinnige gedachte trouwens. Ze stond in de hemelpoort en ze hield het onder haar armen zo strak gespannen zilveren koord nog met één hand vast. Petrus maakte haar los en zei: “Wel Erna, hoe is het je bevallen, de eerste dag voor je klas?”

Ze ging languit in het gras liggen en zei met een in-voldane zucht: “Het was een godzalige gewaarwording. En wil je wel geloven dat mijn aardekinderen ook een beetje dansen kunnen?”

“Wat doe je hier dan nog? - Zeg, vonden je collega’s het niet gek dat je van de doden bent opgestaan?”

“Begin jij nu alsjeblieft niet ook nog eens met dat gezanik,” zei ze “ik ben heerlijk moe en waar kan ik beter uitrusten dan hier?”

Ze sloot de ogen en viel in slaap.

Zo ging het nu een aantal dagen, hemel in, hemel uit en ze wist niet meer wat heerlijker was, boven of beneden. Steeds was ze keurig om negen uur present en om klokslag vier verdwenen. Tussen twaalf en twee bleef ze over, als vroeger en corrigeerde en bereidde haar lessen voor. Waar ze haar twaalfuurtje en haar koffie vandaan haalde, bleef een raadsel. Ze wist trouwens niet meer of ze nu werkelijk aan een koord werd opgetrokken of neergelaten. Maar zeker als ze ontwaakte, was het daarboven. Of was ze nu juist van negen tot vier klaarwakker en de rest van de dag een soort wandelende automaat?

Peter vermeed ze zoveel mogelijk. Hij liet zich trouwens weinig zien - en speelde kennelijk nog “het spelletje” mee. Maar hij vroeg haar weinig - alleen een keer waarheen ze om vier uur altijd zo snel verdween. “Naar het hemelrijk,” had ze gezegd. “Daar kom ik  immers vandaan?” en zich meteen geschaamd voor de intense flauwiteit van dat zogenaamde grapje. En o God, steeds sterker werd de verleiding nu maar open kaart te spelen, maar de angst, de dodelijke angst om niet op tijd terug te zijn, bleef haar volmaakt beheersen. Terug? Waar heen? Ze wist het nauwelijks meer. Maar terug moest ze … klokslag vier.

Na een dag of tien kwam Peter even na twaalven haar lokaal binnen en waarachtig met een lunchpakketje. Erna voelde een schok van verrassing, maar ach, hij had nu ook weer die papieren bij zich.

“Mag ik hier komen lunchen?” vroeg hij. “Ter nadere kennismaking?”

“Met genoegen,” zei Erna. Gaat u zitten. Wilt u koffie? Maar het is wel uit een thermosfles.”

Hij ging aan het tafeltje zitten. Ze voelde zich doodzenuwachtig worden en begon hals over kop: “Ik begrijp dat ik u in verlegenheid breng. U weet alleen mijn naam, niet eens mijn geboortedatum. U weet niets van mijn loopbaan en mijn bevoegdheden Er is geen ontslagbesluit van mijn vorige werkgever. Geen conduitestaat van …”

Peter schudde het hoofd. “Erna, Erna toch,” zei hij, precies als eens aan haar ziekbed en het viel haar niet eens op dat hij haar nu bij haar naam noemde. “O God,” dacht ze alleen, “ik was juist zo gelukkig, maar hij maakt me doodnerveus.” En ze babbelde maar door. “Och nee, waarom ook. Ik zal het u maar eerlijk zeggen. Niemand weet wie ik ben, zelfs in de he … Eh, ik weet het zelf niet en zegt u nu eens eerlijk, wie weet dat wèl van zichzelf? U moet mij maar anoniem laten werken. Of gewoon ontslaan. U heeft nu toch tijd genoeg gehad om naar een vaste kracht uit te zien.”

Peter ging nu zeer rechtop zitten, keek haar strak aan en zei: “Hoort u eens juffrouw Hemelrijk, of wie u ook wezen mag. Ik zal u eens wat zeggen: ik wil ù als vaste kracht benoemen!”

Even voelde ze haar hart bijna stilstaaan door een golf van verrukking die meteen werd weggespoeld door een tweede, van pure doodsangst. “Maar dat is uitgesloten!” riep ze. “Neenee, ik ga weg!”

“Waarheen dan in godsnaam?” vroeg hij, nog steeds ijzig kalm. “U moet rustig naar me luisteren. Ik mag dan uw geboortedatum niet weten, maar ik weet wel degelijk dat u een geboren onderwijzeres bent, ja bijzonder begaafd en een verstandige vrouw bovendien. Maar waarom begint u steeds klinkklare nonsens te verkopen zodra ik over uw personalia begin? Vertelt u liever eens hoe u de eerste dag dat u hier was meteen wist hoe de kinderen uit uw klas heetten en op welke plaatsen ze bij Juffrouw van Eeden hadden gezeten. En is het puur toeval dat u zo sprekend op haar lijkt? U bazelt maar steeds over de hemel. Welnu, u zou van die Erna van Eeden zoiets als een verheerlijkte, dus hemelse uitgave kunnen zijn. Zìj kon niet dansen, maar u lijkt wel een halve, of een hele ballerina. Waar heeft u dat geleerd. In de hemel misschien?”

“Och ja, daar leer je zelfs vliegen!”

Och Heer, dat liet ze zich ontvallen en ach, daar had je het al. Peter stond op, keek haar spottend aan en zei: “Kom nu, wordt dit niet allemaal een beetje kinderachtig? En nu zal ik u nog eens wat zeggen: Die thermosfles daar, die is niet van u, maar van Erna van Eeden! Kom,wordt u nu nog niet wakker??”

Nu was Erna met stomheid geslagen. Hoe had ze ooit kunnen menen dat niemand haar zou herkennen? En niemand vroeg hoe ze dan van de doden was opgestaan. Maar Peter liep nu nijdig naar de deur. Zijn sandwiches en zijn paperassen liet hij op haar tafel liggen. Met de hand al aan de deurknop, draaide hij zich om en zei: “ik heb nog veel te doen. Denkt u goed na. Om vier uur ben ik weer hier en dan wil ik haring of kuit. U vertelt precies wie u bent en zo niet, dan gaat u er maar uit. - Ja,” voegde hij er ruw aan toe: “Dan dondert u in godsnaam maar weer op!”

En hij gooide de deur met een smak achter zich dicht.

Die middag rommelde ze maar wat aan. Een beetje voorlezen, wat spelen met blokken en legpuzzels, tekenen … Ze zorgde dat alles aan kant was was eer de bel zou gaan en haalde zelfs vast haar mantel uit de hal om die op tijd te kunnen aantrekken. Ze vond het zelf een neurotisch, ja paranoïde gebaar, maar wist waarachtig niet meer wat haar bezielde. Kom nu toch, als ze om vier uur nu eens gewoon op school bleef en Peter maar verder alles liet uitzoeken? Maar die gedachte verwierp ze onmiddellijk. Er hing haar immers iets noodlottigs boven het hoofd. O, het FATUM - of was ze bezig krankzinnig te worden?

Daar ging die bel … Ze liet vlug de klas uit, maar toen het laatste kind verdwenen was stond Peter al in de open deur. “Wel?” vroeg hij alleen maar.

“Ik ga weg,” zei ze zenuwachtig op haar horloge kijkend en wilde naar de deur. Maar Peter sloot die achter zich en bleef er voor staan. Ze drong op hem aan, wilde hem opzij schuiven en langs hem heen dringen. En toen hij haar tegenhield riep ze wild: “Blijf van me af. Ik moet weg. Het is de hoogste tijd!”

Maar hij pakte haar ruw bij de schouders, rammelde haar door elkaar en riep: “Is het nu uit, Erna! Je bent beter, je bent genezen. Je staat gewoon weer voor je klas, net als vroeger. Je doet het beter dan ooit. Een schooljuffrouw? Ja, maar je hebt wel met heiligen omgegaan. Een godendochter, dat ben je! - Maar die waanideeën over een hemel …Denk je nu heus dat je daar telkens maar weer heen kan hollen? En waarom moet dat per se om klokslag vier? Al die gekheid! Naweeën van de narcose of weet ik wat, zegt de dokter en ik moet voorlopig maar zowat met je meespelen om je een al te grote schok te besparen. Maar ik heb er genoeg van. Bah, vanmiddag had ik gehoopt er een eind aan te maken. Ach, dacht ik, ik ga bij haar lunchen, in haar lokaal, met die herboren Erna. Als ze dàn niet wakker wordt! Maar daar begon je weer, verdomme!”

Hij had haar langzaam naar het front van het lokaal gemanoeuvreerd. Daar zat ze nu sprakeloos neer op haar stoel. Eindelijk zei ze, zielig: “Hemelrijk … hoe kwam ik er bij. Hoe intens flauw. Maar voor jou ben ik toch werkelijk uit de hemel gevallen. Of ontken je dat ook?”

Peter trok een stoel aan en ging naast haar zitten. Hij pakte haar sproetige hand en streelde die. “Hoe zou ik dat durven ontkennen?” zei hij zacht. “Je bent een godsgeschenk. Voor de school ja. Maar allereerst voor mij. - Maar hoor nu eens. Je hebt een zware operatie ondergaan, lag bijna een week in een soort coma en bleef daarna, ook toen je geheel was hersteld, danig in de war. Vertel me nu eens wat je in die toestand hebt beleefd. Natuurlijk heb ik je vaak bezocht toen je zogenaamd weer bijgekomen was. Je was zo opgewekt! En eerlijk gezegd heb ik wel vaak moeten lachen om je gekkenpraat. Ik geloof dat je me voor de apostel Petrus hield. Je was nogal dik met hem. Ondeugende praatjes soms, om jaloers op te worden. Ik wist niet dat je zo ongedwongen en zelfs behaagziek kon zijn. Jij, Erna notabene! Maar één ding was tenminste duidelijk. Je dacht dat je gestorven was en in de hemel terechtgekomen …”

Hij keek haar ongerust aan, want ze trok haar hand weg en vloog op. “Laat me gaan!” riep ze wanhopig weer. “Anders gebeuren er ongelukken!’

Maar hij trok haar uit de stoel, nam haar in de armen, en zei: “Ja juist. Ha, wij gaan ongelukken maken! Jij gaat niet weg. Nu niet en nooit meer!”

“Je weet niet wat je zegt,” zei ze, maar stribbelde nu nog maar zwak tegen. “Als ik nu niet ga, kom ik nooit meer terug en moet opnieuw lijden en sterven.”

“Je ijlt.” zei hij, een ogenblik verslagen. “Daar sta je in volle glorie weer voor je klas zoals je nú bent. Mooie statige, begaafde en - waarachtig - warmbloedige Erna! Lijden en sterven? Het is morbide daar nu aan te denken.”

“Och,” zei ze treurig, maar toch heel effen. “Morbide? Vroeg of laat moet het immers gebeuren? Dat geldt net zo goed voor jou. Maar mijn God, om het voor de tweede keer te doen!”

“Kijk,” zei Peter, “dat klinkt zowaar een beetje redelijk. Maar je vergeet één ding. Wie werkelijk wil leven moet er de dood voor over hebben. Maar daar hoeft hij niet eens aan te denken, zeker niet als hij het voor iets of iemand doet.”

Ze keek hem met grote ogen aan. Het was haast letterlijk wat de Heer had gezegd. Ha! Dit hier, na vieren met Peter, dat was het tenzij dat ze dat niet had durven invullen! Dat was wat ze altijd had geweten en niet durven weten. Voor iemand. Voor hem!

Er viel iets van haar af. Ze voelde zich vrij en overmoedig, als zo dikwijls bij Petrus aan de hemelpoort. Ze maakte zich los uit zijn armen en deed een stap achteruit. “Kom, wij springen,” juichte ze en toen sprong ze om zijn hals en begon hem wild te zoenen.

“Erna, Erna!” wist hij alleen nog maar uit te brengen. Haast buiten adem hield ze op en liet hem haar horloge zien. “Kijk,” lachte ze, “het is kwart over vier. Voor eeuwig te laat!”

Maar kom, ze moest nu toch haar mantel maar eens pakken; ze konden hier geen uren blijven staan. Peter nam de mantel galant van haar over, maar toen ze al een arm uitstak om erin geholpen te worden, liet hij hem op de vloer glijden, omvatte, nog achter haar staande haar middel, de handen onder haar borsten en kuste haar tussen het kroeshaar in de nek. “Wanneer gaan we trouwen?” vroeg hij.

Ze draaide haar hoofd naar hem toe. “Och trouwen?” lachte ze. “Wat doet het er toe? In de hemel wordt niet ten huwelijk gegeven en niet ten huwelijk genomen.” - Ze schrok van haar eigen woorden. “O God,” dacht ze, “de hemel weer. Nu denkt hij dat ik nog steeds van de wijs ben.”

Maar Peter zei: “Je hebt daar toch heel wat geleerd. En in de poort van de hemel, daar staan we nu,”

“Ja,” zei Erna. “Wel gek dat je er dan niet in, maar juist uit moet springen.”

Ze gingen naar Peters huis. Onbevangen zat Erna op Tine’s fauteuiltje bij de haard. Ze dronken koffie, ditmaal vers gezet. Tegen zevenen gingen zij eten in een restaurant en daarna gingen zij dansen. Aha, eerst op zo’n streng-rytmische, gracieuze tango. Peter deed het uitstekend en Erna volgde met gemak. “Och,” dacht ze, “misschien heb ik ontdekt dat het me altijd in het bloed heeft gezeten. Maar ik vond het tijd vermorsen, lichtzinnig en vooral kinderachtig.”

Toen werd er een Weense wals ingezet en het was nu alsof niet Peter, maar Erna de leiding nam. Ja het was alsof ze met hem in wilde vaart omhoog cirkelde tot bij het plafond met het vele stucwerk waarheen ze eens de cherubijnen had willen verbannen. Maar die begonnen haar nu tussen de gipsen bloemtuilen en guirlandes toe te wuiven - kuiltjes in de wangen, kuiltjes in de mollige ellebogen, kuiltjes in de dikke handjes. Ze had hun niets kunnen leren. Wat had zij niet van hen geleerd!

Naar huis weer en toen Peter naar zijn slaapkamer op de eerste étage ging, volgde ze hem als was dat al jaren haar gewoonte. Alleen bedacht ze halverwege de trap dat ze geen toilet artikelen en nachtgoed bij zich had. Maar dat bleek geen bezwaar tot de volgende morgen. Peter was in slaap gevallen en ze verhuisde maar gauw naar de andere helft van de lits-jumeaux waar Tine altijd had geslapen.

Ze kroop diep onder de dekens, kreeg het toch te warm en ging nu languit op haar rug liggen. Ze voelde zich vrij en gewichtloos als eens in de hemelwei tussen de madeliefjes, de boterbloemen en de … wat waren het ook weer?

“Daar lig ik nu,” dacht ze, “ontmaagd en wel op m’n vijfendertigste” - Ze schoot in de lach. Was dat misschien het lijden en sterven dat ze zo had gevreesd? Dan had de Heer haar voor de gek gehouden en had ze nog een appeltje met hem te schillen. Nu, als je in de hemel aan iemand dacht was hij ook meteen present. Maar op deze aarde?

En ja, daar stond hij, een donker silhouet voor het al oplichtende venster en ze vroeg: “Heer, waarom heb je me bedrogen en gezegd dat ik op aarde weer moest sterven? Ik was zo bang!’

Hij spreidde zijn armen licht buitenwaarts en ze zag vaag de witte littekens in zijn handpalmen. Nee, het was niet alles droom en verbeelding geweest. Hem had ze waarlijk ontmoet, de Christus, en die stond nu hier nota bene aan het bed van een schooljuffrouw van het openbaar onderwijs, die nooit iets met hem te maken had gehad.

“Lieve, lieve Erna,” zei hij, “het was je eigen schuld. Jij wilde alleen maar leven voor de duur van de schooltijd en had angst voor de rest. Hoe kon ik je helpen? Alleen door je juist te verbieden wat je moest doen. Na vieren, daar staat straf op, dat daagt het noodlot uit! Zo regelde we het toch ook met Eva? Die moest eten van een boom der kennis om echt mens en een complete vrouw te worden. De enige manier om haar daartoe te brengen was het haar op straffe des doods te verbieden. Daarom zeiden we: “Indien gij daarvan eet, zult ge de dood sterven!” - Anders was ze misschien haar hele leven voorbij gelopen. Maar juist het verbod zelf is de grootste verleiding het te overtreden en dat deed ze dan ook prompt. En zo moest jij ook wel een keer die drempel van vier uur uur over en ontdekken hoe goed het kwade en hoe kwaad het goede vaak kan zijn. En de straf? De dood inderdaad. Maar een zalige dood en opstanding op de koop toe!

Maar zeg, blijf jij nu wel voor die klas? Kan een dansende en minnende schooljuf dat nog wel?”

Ze ging verontwaardigd rechtop in haar bed zitten. “Wel wis en donders!” antwoordde ze. “En als je het niet gelooft, vraag het dan maar eens aan de heilige Petrus, als je weer ten hemel bent gevaren!”

De Heer wierp nu een blik op de slapende Peter naast haar en zei: “Dat kan niet. Hij is ontslagen wegens overspelig gedrag in de Poort. Maar ja, wat je daar ook allemaal ziet passeren! - Nu, de aartsengel Michael zou hem eruit smijten, maar Petrus was hem voor en sprong uit eigen beweging pardoes naar beneden.”

“En die vrouw?” vroeg Erna.

“O, die sprong met hem mee. Een vrome vrouw overigens, want weet je wat ze zong toen ze eenmaal goed en wel beneden was? Een psalm:

“Komt tot mijn poorten in met lof,

Met lofzang in mijn heilig hof … “

“Neemaar, hoe verzon ze het!” lachte Erna.

Petrus liet het zich ook geen tweemaal zeggen. Nu, alles goed en wel, maar één ding is vervelend. Petrus heeft de sleutelen des hemelrijks meegesmokkeld.”

“Och,” zei Erna onverschillig terwijl ze zich weer onderuit liet glijden, “die kan hij op aarde ook heel wat beter gebruiken. Ik heb het ervaren. - Maar waarom wilde je zo graag weten of ik nu wel voor de klas blijf?”

“O,” zei hij, “ik dool maar godganse dagen over de aardbodem op zoek naar mensen die mijn werk willen doen. Ook mensen zoals jij, die het doen onder de gebrekkigen, de misdeelden, ja de imbecielen, idioten en psychopaten. Ik ben zo blij dat ik nu ook jou gevonden heb, zeg Erna den Hoff van Eeden! En nu voorgoed. Ik had al zo lang naar je gezocht.”

“Voor vieren is dus toch het belangrijkste?” vroeg Erna peinzend.

“O ja, maar bij de gratie van de tijd daarna. Die twee zijn niet te scheiden. Maar jij ook altijd met je horloge! Weet je dat je het zelfs vannacht heb omgehouden?”

Ze deed het beschaamd af en keek toen vertederd naar de slapende Peter. “Het is een schande het te moeten bekennen na de bruidsnacht,” zei ze. “Maar Heer, mijn grootste liefde …”

“Jaja,” zei hij, “een schone vrouw ben je geworden, Erna, maar je bent en blijft een geboren frik!”

“Halleluja amen.” zei Erna en de Heer moest onbedaarlijk lachen.

This entry was posted on Monday, October 19th, 2009 at 17:54 and is filed under Alles en Niks. You can follow any responses to this entry through the RSS 2.0 feed. You can leave a response, or trackback from your own site.

2 Responses to “NA VIEREN deel 2”

  1. October 19th, 2009 at 17:57

    corrie says:

    Ja, nu zitten de delen natuurlijk verkeerdom, maar lees toch maar eerst deel 1 en dan deel 2 en nogmaals: dit verhaal is geschreven door Dr P.B. Renes

  2. November 29th, 2009 at 21:25

    Cristel says:

    Ah nu heb ik deel twee gevonden……… Wat een leuk verhaal…..

Leave a Reply